Vuistpand en stil pandrecht

In artikel 3:236 en 3:237 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) worden twee vormen van pandrecht genoemd, te weten vuistpand respectievelijk stil pandrecht.

Pandrecht is een zekerheidsrecht dat is gevestigd op andere goederen dan registergoederen (art. 3:227 lid 1 BW). Het pandrecht strekt tot op de daaraan onderworpen goederen een vordering tot voldoening van een geldsom bij voorrang boven andere schuldeisers te verhalen. In die zin is een pandrecht dan ook vergelijkbaar met een recht van hypotheek, zij dat het laatstgenoemde slechts op een registergoed kan worden gevestigd (art. 3:227 lid 1 jo. 3:260 lid 1 BW).

Een vuistpand wordt gevestigd door de (roerende) zaak (waarop het vuistpand moet worden gevestigd) in de macht te brengen van de pandhouder (zie art. 3:236 lid 1 BW). Een stil pandrecht kan daarentegen worden gevestigd zonder dat de zaak in de macht van de pandhouder wordt gebracht (art. 3:237 lid 1 BW). Daartoe is dan, in tegenstelling tot het vuistpand, een authentieke of geregistreerde onderhandse akte vereist.

Een ander kenmerkend verschil tussen beide vormen van pandrecht is dat slechts een pandhouder van een vuistpand bescherming geniet tegen beschikkingsonbevoegdheid, aldus art. 3:238 lid 1 BW. Dat een stil pandrechthouder geen dergelijke ‘’derdenbescherming’’ geniet, volgt niet uitdrukkelijk uit de wet, maar is af te leiden uit art. 3:238 lid 1 BW.

Beschikkingsonbevoegdheid speelt ingeval de vervreemder niet bevoegd was om een pandrecht te vestigen (zie art. 3:98 jo. 3:84 lid 1 BW). Dat kan bijvoorbeeld spelen ingeval tussen de eerdere overdracht (waarbij de pandhouder geen partij is) een onverpandbaarheidsbeding is overeengekomen ex art. 3:83 lid 2 BW. Voor zover dat beding uitdrukkelijk bepaalt dat het goederenrechtelijke werking heeft, zal een vestiging niet mogelijk zijn, omdat door een dergelijk beding de overdraagbaarheid wordt uitgesloten. Voorts vereist beschikkingbevoegdheid dat de pandhouder te goeder trouw is op het tijdstip waarop de zaak in zijn macht is gebracht. Hiervoor dient aansluiting te worden gezocht bij art. 3:11 BW, de bepaling van de goede trouw.

Deel dit bericht: