Vertegenwoordiging

In dit artikel wordt in een vogelvlucht op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur van een BV ingegaan. Op grond van art. 2:240 lid 1 BW vertegenwoordigt het bestuur de vennootschap, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. Uit deze bepaling blijkt dat het bestuur bevoegd is om namens de BV rechtshandelingen met derden aan te gaan. Deze vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur is op grond van art. 2:240 lid 3 BW onbeperkt en onvoorwaardelijk, wederom voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. In deze tekst worden twee bijzondere gevallen behandeld die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de onbevoegd handelende bestuurder en/of die de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur kan aantasten.

Uit de wet voortvloeiende beperking of voorwaarde
De bekendste en meest gebruikte beperking die uit de wet voortvloeit, art. 2:240 lid 2 BW, is de tweehandtekeningenclausule. Deze clausule zorgt ervoor dat een bestuurder alleen tezamen met een andere bestuurder vertegenwoordigingsbevoegd is. Wanneer deze clausule op deze wijze zonder toevoegingen in de statuten is opgenomen en in het Handelsregister is ingeschreven, dan kan de BV deze beperking tegenover de derde inroepen. Wanneer de BV deze beperking inroept, is de BV niet langer aan de overeenkomst gebonden. Echter, is de onbevoegd handelende bestuurder wel aan de overeenkomst gebonden.

Een uit de wet voortvloeiende beperking of voorwaarde kan dus de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur aantasten en kan nadelige gevolgen hebben voor de onbevoegd handelende bestuurder.

Anderen voorbeelden van uit de wet voortvloeiende beperkingen kunt u vinden in art. 2:204 lid 2, art. 2:206 lid 1 of art. 2:393 lid 2 BW.

Niet uit de wet voortvloeiende beperking of voorwaarde
Men vindt in veel statuten een tweehandtekeningenclausule waarin staat dat bestuurder A & B gezamenlijk bevoegd zijn tot het kopen of vervreemden van registergoederen. Deze beperking vloeit niet uit de wet voort, waardoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur niet wordt aangetast. Wanneer dus in strijd met deze statutaire bepaling wordt gehandeld, blijft de BV aan de overeenkomst gebonden tenzij objectieve redelijkheid en billijkheid een beroep op een niet uit de wet voortvloeiende beperking of voorwaarde toestaat. Van deze uitzonderingssituatie kan onder omstandigheden sprake zijn als de derde waarmee is gehandeld op de hoogte was van de beperking ten tijde van het aangaan van de overeenkomst en in strijd met de goeder trouw heeft gehandeld (zie de uitspraak HR Bibolini).

Wanneer een bestuurder in strijd met de statutaire bepaling heeft gehandeld, dan treft hem een ernstig verwijt waardoor hij wellicht, op grond van art. 2:9 BW, intern aansprakelijk kan worden gesteld. Op deze wijze kan de BV de eventuele schade van de ongunstige overeenkomst beperken door de schade op de bestuurder te verhalen.

Een niet uit de wet voortvloeiende beperking of voorwaarde kan dus in beginsel de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur niet aantasten, maar kan wel nadelige gevolgen hebben voor de onbevoegd handelende bestuurder.

Deel dit bericht: