Verboden rechtspersonen

Artikel 8 van de Grondwet stelt dat men recht tot vereniging heeft. Daaraan wordt toegevoegd dat dit vrijheidsrecht kan worden beperkt in het belang van de openbare orde. In het tweede boek van het Burgerlijk Wetboek geeft art. 2:20 BW een dergelijke beperking. In dit artikel staat deze wettelijke beperking centraal. Dit artikel poogt voornamelijk een praktische beschrijving te geven over de werking van art. 2:20 BW (en niet zozeer de wetshistorische achtergrond te beschrijven).

Kern van art. 2:20 BW
Op grond van art. 2:20 BW kan het Openbaar Ministerie aan de daartoe bevoegde rechter een verzoek doen tot het verboden verklaren van een rechtspersoon. Dit verzoek zal door de rechter worden toegewezen indien de rechtspersoon een statutaire doelstelling heeft of werkzaamheden verricht die in strijd zijn met de openbare orde (art. 2:20 lid 1 en 2 BW).

Werkzaamheden in strijd met de openbare orde
Het begrip openbare orde is een ruim begrip en verschilt naargelang de context waarbinnen de definitie moet worden vastgesteld. Het begrip openbare orde komt in verschillende rechtsgebieden terug (zoals in het vermogensrecht en het strafrecht).

Hierdoor komt de rechter ruimte toe op om op basis van alle ter zake dienende feiten en omstandigheden tot het oordeel te komen dat de werkzaamheden van een bepaalde rechtspersoon in strijd zijn met de openbare orde. Een gangbare betekenis is het stelsel van normen die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van de maatschappij. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat het echter moet gaan om méér dan uit maatschappelijk oogpunt (bedreiging van) ongewenst gedrag.

Een andere voorwaarde is dat er sprake moet zijn van werkzaamheden (die aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend). Denk hierbij aan drugshandel, wapenhandel of pedofiele praktijken. Het gaat daarbij derhalve om strafbare gedragingen. Een bekend praktijkvoorbeeld vindt u hier.

Gevolgen verbodenverklaring
Een gevolg van de verbodenverklaring spreekt voor zich: de rechtspersoon wordt ‘’verboden’’ en ontbonden.

Wat houdt ‘’verboden’’ zijn in? Dat houdt in dat deelname aan een door de rechter verboden organisatie een misdrijf is waarop een straf staat van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie (€ 8.200, art. 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht).

Door ontbinding kan men niet meer spreken van een rechtspersoon als zodanig, deze is immers door ontbinding opgehouden te bestaan. Logischerwijs spreekt art. 140 lid 2 Sr dan ook niet van een rechtspersoon, maar van een organisatie (klaarblijkelijk van personen).

De Hoge Raad neemt vanwege procesrechtelijke redenen wel aan dat een ontbonden rechtspersoon een procedurele partij kan zijn en derhalve kan procederen. Dit is overwogen in het licht van art. 6 EVRM en het daarin vervatte beginsel van equality of arms. Een reeds ontbonden rechtspersoon kan derhalve hoger beroep instellen tegen de verbondenverklaring van de rechter in eerste aanleg.

Botsing met grondrechten/vrijheidsrechten
Vanzelfsprekend botst het ontbinden van een rechtspersoon met het recht tot vereniging. Derhalve wordt art. 2:20 BW terughoudend toegepast. Ook in art. 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) wordt er een recht tot vereniging gegeven. Dit leent zich evenwel voor een meer staatsrechtelijk getinte bespreking die buiten de strekking van dit artikel valt.

Deel dit bericht: