Trusts

In dit artikel wordt de rechtsfiguur van de trust verkend en bekeken of en hoe deze figuur past binnen het wettelijke systeem, in het bijzonder Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

Definitie van trust

De trust kan kernachtig worden omschreven als eigendom ten titel van beheer. De beheerder zijnde natuurlijke persoon en belanghebbende worden trustee respectievelijk beneficiaris genoemd.[1] De goederen (hier: trustgoederen) vallen in dat geval niet in het vermogen van de trustee, maar staan wel op diens naam en worden door hem beheerd. De trustee heeft dan twee vermogens, te weten een privévermogen en een afgescheiden vermogen. De beneficiaris draagt het eigendomsrecht over aan de trustee in het vertrouwen dat de trustee het eigendomsrecht niet zal gebruiken voor andere doeleinden dan partijen zijn overeengekomen.

Het moge duidelijk zijn dat de functie van een afgescheiden vermogen is om goederen die tot dat vermogen behoren veilig te stellen van verhaal door schuldeisers van de trustee. Het gegeven dat dergelijke trustgoederen niet het vermogen van de trustee vallen brengt eveneens mee dat ingeval van faillissement van de trustee die goederen niet vallen in de faillissementsboedel.[2]

Gelet daarop dient de trust dan ook te worden gezien als een figuur verwant aan de eigendomsoverdracht tot zekerheid en het daarmee samenhangende afgescheiden vermogen.

Fiduciaverbod als beletsel voor Nederlandse trust

Het in art. 3:84 lid 3 BW vervatte en niet onomstreden fiduciaverbod belet dat er een daadwerkelijke trust naar Nederlands recht in het leven kan worden geroepen. Het voorgenoemd verbod behelst in de kern de regel dat een titel die strekt tot eigendomsoverdracht tot zekerheid niet als geldige titel dient, waardoor een dergelijke eigendomsoverdracht is uitgesloten. Dit verbod brengt ook mee dat splitsing van eigendom in juridisch en economisch eigendom in beginsel niet mogelijk is dan wel niet rechtens wordt erkend.[3] Zoals hiervoor besproken, verkrijgt de trustee in een trustverhouding door middel van eigendomsverkrijging immers het juridisch eigendom, terwijl de beneficiaris het economisch eigendom van het trustgoed heeft.

Naar geldend recht kan een trust derhalve niet een uitzondering op art. 3:276 BW teweegbrengen in de zin dat er een afgescheiden vermogen kan worden gevormd waarop schuldeisers van de trustee zich niet kunnen verhalen. Zou men hebben gepoogd een dergelijke constructie te hebben opgezet, dan vallen alle goederen in het vermogen (niet zijnde een afgescheiden vermogen) van de trustee. In dat geval kunnen schuldeisers van de trustee zich verhalen op die goederen, hetgeen juist met een trust wordt beoogd te voorkomen.[4] Kort en goed, de wet ontbeert een wettelijke basis voor de trust zoals die bestaat in de Angelsaksische rechtspraktijk.

Overigens dient in Nederland de (buitenlandse) trusts met afgescheiden vermogen wel te worden erkend.[5] Zij kunnen derhalve deelnemen aan het Nederlands rechtsverkeer. ‘’Trusts’’ in de vorm van rechtspersonen worden in dit artikel buiten beschouwing gelaten, omdat dergelijke constructies strikt genomen niet vallen onder de definitie van een trust. Overigens kent Curaçao inmiddels een bij notariële akte op te richten trustfiguur. Of dit ook voor het Nederlands recht mogelijk moet worden is ter beoordeling van de wetgever. Het Nederlands recht kent overigens reeds enkele afgescheiden vermogens, zoals het afgescheiden vermogen van een personenvennootschap.

[1] In de literatuur komt men ook het, uit de Anglo-Amerikaanse rechtspraktijk ontleende, begrip beneficiary tegen.

[2] Zulks volgt uit art. 3:276 en 20 Faillissementswet.

[3] Zie art. 5:1 BW.

[4] Zie art. 3:276 BW en vergelijk HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3413 (Procall) voor kwaliteitsrekeningen.

[5] Dit op grond van het Haags Trustsverdrag ten behoeven van de internationale financieringspraktijk.

Deel dit bericht: