Schadevergoeding eisen wegens wanprestatie

In dit artikel zal een beknopte en algemene uiteenzetting worden gegeven van de schadevergoeding wegens wanprestatie. Dit artikel is van toepassing op de situatie dat een contractpartij geen nakoming meer wenst van de overeenkomst. De regeling die in dit artikel wordt besproken, geldt voor overeenkomsten in het algemeen. Bijzondere overeenkomsten (zoals consumentenkoop en bruikleen) en de daarbij horende bepalingen worden in dit artikel buiten beschouwing gelaten.

Overeenkomst en tekortkoming
Het is duidelijk dat een overeenkomst rechten en plichten schept (zie art. 6:261 BW). Het vastleggen van deze rechten en plichten is namelijk ook een belangrijke reden om een overeenkomst te sluiten. Wanneer een contractpartij zijn plichten uit de overeenkomst niet of niet deugdelijk nakomt, is er sprake van een tekortkoming in de nakoming of ‘wanprestatie’, gelet op art. 6:74 BW. Op basis van de tussen partijen geldende overeenkomst zal snel duidelijk zijn wanneer er sprake is van een tekortkoming. Wanneer een partij tekortschiet in de nakoming, kan dat schade veroorzaken bij de andere partij. De wet bevat voorts een regeling die de mogelijkheid biedt om deze schade te verhalen op de tekortschietende partij.

Voorwaarden voor schadevergoeding op grond van wanprestatie
Wil een partij (schuldeiser) schade verhalen op de wederpartij (schuldenaar) die niet of niet deugdelijke nakomt, dan gelden de volgende voorwaarden:

  1. Er moet sprake zijn van een verbintenis.
    Dat kan zowel een mondelinge als schriftelijke overeenkomst zijn.
  2. Het moet gaan om een tekortkoming in de nakoming.
    Dat kan volledig niet-nakoming of ondeugdelijke nakoming zijn.
  3. Er moet sprake zijn van (aantoonbare) schade.
    Dat is bijvoorbeeld het geldbedrag wat een schuldeiser misloopt, omdat de schuldenaar niet betaalt.
  4. Deze schade moet het gevolg zijn van de tekortkoming in de nakoming van de wederpartij.
    In andere woorden moet er een causaal verband zijn tussen de schade en de tekortkoming.
  5. De tekortkoming moet toerekenbaar zijn aan de schuldenaar.
    Er moet dus geen sprake zijn van overmacht (art. 6:75 BW), waardoor de tekortkoming niet te wijten is aan (onder andere) de schuldenaar. Dat speelt bijvoorbeeld wanneer de schuldenaar niet kan leveren vanwege een zware sneeuwstorm.
  6. De nakoming van de overeenkomst moet reeds blijvend onmogelijk zijn.
    Dat is bijvoorbeeld wanneer een bruidsfotograaf ná de bruiloft pas komt opdagen.
  7. Als nakoming nog mogelijk is, dan moet de schuldenaar eerst in verzuim zijn.
  8. Verder geldt, zoals voor het gehele verbintenissenrecht, de eis van redelijkheid en billijkheid

Verzuim en ingebrekestelling
Zoals hierboven staat aangegeven, moet de schuldenaar in verzuim zijn voordat de schuldeiser schadevergoeding mag eisen in het geval dat nakoming nog mogelijk zou zijn (art. 6:74 lid 2 BW).

Verzuim houdt in dat de schuldenaar niet nakomt, nadat de nakoming opeisbaar is geworden. Nakoming wordt opeisbaar wanneer de schuldeiser via een schriftelijke ingebrekestelling van de schuldeiser wordt aangemaand om binnen een redelijke termijn na te komen en hij binnen die termijn niet nakomt (art. 6:81 en 6:82 BW). Wat een redelijke termijn is hangt uiteraard af van de omstandigheden van het geval.

Als de schuldeiser uit de houding van de schuldenaar merkt dat een ingebrekestelling nutteloos zou zijn, kan de ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke mededeling aan de schuldenaar waaruit blijkt dat hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld (art. 6:82 lid 2 BW).

In sommige gevallen treedt de schuldenaar direct in verzuim. Dat is bijvoorbeeld wanneer een fatale termijn waarbinnen moest worden nagekomen, is verstreken of wanneer de schuldenaar zelf al mededeelt dat hij zal tekortschieten in de nakoming.

Schadevergoeding eisen
Uiteraard staat het partijen vrij om een minnelijke schikking te treffen, waarbij de schuldenaar de schade buiten de rechter om zal voldoen aan de schuldeiser. Mocht dat geen doel treffen, dan zal de schuldeiser een vordering tot schadevergoeding op grond van art. 6:74 BW moeten instellen bij de bevoegde rechter. Zie ook hier.

Deel dit bericht: