Recht van enquête

Middels een enquêteprocedure kan door de Ondernemingskamer vastgesteld worden of er binnen de rechtspersoon sprake is van wanbeleid of een onjuiste gang van zaken. Enkele bekende enquêtezaken zijn die van Gucci en de ABN AMBRO. Voor nadere rechtsregels uit de jurisprudentie zie de arresten van de Hoge Raad inzake Bobel, Laurus en OGEM. In dit artikel wordt volstaan met een algemene uiteenzetting van de wettelijke regeling omtrent de enquêteprocedure.

Begripsomschrijving
De enquêteprocedure omvat het onderzoek naar het beleid of de gang van zaken van de rechtspersoon (zie art. 2:350 BW). Normaliter is het bestuur verantwoordelijk voor het beleid en de gang van zaken (zie art. 2:129/2:239 BW). Het onderzoek zal zich daarom richten tot het bestuur, maar het kan ook gericht zijn op het handelen van de Raad van Commissarissen of de Algemene vergadering van Aandeelhouders. Het onderzoek kan het gehele beleid omvatten, een bepaald gedeelte daarvan of een bepaald tijdvak.

Bevoegde rechter
De enquêteprocedure vindt plaats bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam.

Wijze van aanhangig maken
Degene die daartoe bevoegd zijn, kunnen de Ondernemingskamer (middels een verzoekschrift) verzoeken tot het instellen van een onderzoek.

Bevoegd tot verzoek
Verschillende partijen zijn daartoe bevoegd, waarvan de meest vanzelfsprekende de aandeelhouders zijn (art. 2:346 BW). Hierbij geldt de eis dat zij daarvoor ten minste een tiende van het geplaatst kapitaal moeten vertegenwoordigen of rechthebbenden zijn op aandelen met een nominale waarde van ten minste € 225.000. Ook kan een werknemersorganisatie een verzoek indienen (art. 2:347 BW). Voorts is van belang dat ook de advocaat-generaal bij het ressortspakket Amsterdam een enquêteonderzoek kan verzoeken voor zover het openbaar belang dat vordert (art. 2:345 BW).

Niet-ontvankelijkheid
De verzoekers dienen eerst hun bezwaren kenbaar te maken aan het bestuur en de RvC en hen de mogelijkheid bieden om de misstanden te verhelpen (art. 2:349 BW). Op deze wijze kan worden voorkomen dat er direct gebruik wordt gemaakt van het recht van enquête, terwijl dat niet altijd noodzakelijk zou zijn.

Onderzoek naar rechtspersoon
Als de Ondernemingskamer op grond van het verzoek gegronde redenen ziet om te twijfelen aan een juist beleid of de juiste gang van zaken, dan stelt zijn een onderzoek in. Bij de toewijzing stelt zij ook vast wat het onderzoek ten hoogste mag kosten. Ter uitvoering van het onderzoek, benoemt zij personen die met het onderzoek belast zijn (waaronder een raadsheer-commissaris). Deze personen zijn gerechtigd tot raadpleging van de gegevens van de rechtspersoon, voor zover die inzage in het belang van het onderzoek is. Bestuurders, commissarissen en werknemers zijn verplicht tot het bieden van inzage. Verder kunnen er ook getuigen worden gehoord.

Voorbeelden wanbeleid
Er is sprake van wanbeleid indien het bestuur handelt op een (zeer nadelige) wijze waardoor de wettelijke en statutaire bevoegdheden niet in acht zijn genomen of als door toedoen van het bestuur de rechtspersoon geen belangrijke besluiten heeft genomen. De Ondernemingskamer hanteert de norm dat er sprake is van wanbeleid indien er ‘’in strijd is gehandeld met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap’’.

Verslag van onderzoek
De bevindingen van het onderzoek worden door de onderzoekers opgenomen in een verslag (art. 2:351 BW en art. 2:353 BW). De betrokkenen (waaronder de rechtspersoon, de verzoekers en hun advocaten) ontvangen een exemplaar van het verslag.

Kostenverdeling op basis van verslag
De Ondernemingskamer oordeelt op basis van het verslag of er al dan niet sprake is van een onjuist beleid of onbevredigende gang van zaken binnen de rechtspersoon. Indien daarvan sprake is dan kan zij beslissen om de onderzoekskosten geheel of gedeeltelijk te verhalen op een bestuurder, commissaris of werknemer. Indien het verzoek niet op redelijke grond is gedaan, kunnen de kosten verhaald worden op de verzoekers.

Voorzieningen wanbeleid op basis van verslag
Na constatering van wanbeleid kan de ondernemingskamer op verzoek van de verzoekers enkele voorzieningen treffen. Deze zijn onder meer:
– Schorsing of vernietiging van een besluit van een orgaan van de rechtspersoon
– Schorsing of ontslag van een of meer bestuurders
– Vaststellen dat er sprake is van wanbeleid
– Tijdelijke aanstelling van nieuwe bestuurders of commissarissen
– Ontbinding van de rechtspersoon

Voorlopige voorzieningen
Ook kan vóór de uitspraak worden verzocht tot het treffen van voorlopige voorzieningen, zoals het tijdelijk schorsen van een bestuurder.

Rechtsmiddelen
Tegen de beschikking (uitspraak) van de ondernemingskamer kan de betreffende rechtspersoon cassatie bij de Hoge Raad instellen.

Deel dit bericht: