Prejudiciële vragen inzake positie curator

Op 11 mei 2015 heeft de rechtbank Overijssel twee prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd. De prejudiciële vragen luiden als volgt:

  1. Kan de curator q.q. worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 10 lid 1 van de Faillissementswet (hierna: Fw)?
  2. Kan de curator q.q. gelet op zijn neutrale en onafhankelijke rol in verzet komen tegen een faillissementsvonnis waarbij hij constateert dat er geen actief is of actief valt te verwachten?

Achtergrond informatie

Het komt veelvuldig voor dat een BV op eigen aangifte het faillissement door de rechtbank laat uitspreken. In sommige zaken komt de curator al snel tot de conclusie dat de BV zijn activiteiten heeft gestaakt, er geen baten aanwezig zijn en dat een faillissementspauliana of het geldend maken van bestuurdersaansprakelijkheid niet zal leiden tot het verwerven van enige baten. In dit soort situaties nemen de schulden van de BV alleen maar toe en zal de curator zijn gemaakte kosten niet vergoed kunnen krijgen. Om deze reden gaat de curator in deze situaties veelal in verzet, op grond van art. 10 Fw, om te trachten het faillissement te vernietigen. De curator meent dat het in deze omstandigheden aanvragen van het faillissement misbruik van bevoegdheid oplevert.

In sommige zaken, bij soortgelijke feiten, oordeelt de rechtbank dat het verzet ongegrond is of vernietigt de rechtbank juist het faillissement. Hierdoor zitten de rechtbanken duidelijk niet op één lijn wat betreft dit onderwerp, waardoor de antwoorden op deze twee prejudiciële vragen van belang zijn.

Rechtbank Overijssel

Bij de rechtbank Overijssel is destijds een zaak behandeld waarvan de feiten overeenstemmen met de feiten zoals genoemd in de vorige alinea. De curator voert in de zaak samengevat aan dat de BV middels de weg van art. 2:19 BW dient te worden ontbonden, omdat er geen enkele bate is of valt te verwachten. Onder de weg van art. 2:19 BW valt de wettelijke vereffeningsprocedure en de turboliquidatie.

Hoge Raad

De Hoge Raad heeft op 18 december 2015 de prejudiciële vragen van de rechtbank Overijssel beantwoord. De antwoord op de vragen worden hieronder verkort weergeven en uiteindelijk wordt de conclusie van de Hoge Raad overgenomen:

  1. De Faillissementswet behelst geen bepaling waaruit blijkt wie als belanghebbende in de zin van art. 10 lid 1 Fw moet worden aangemerkt. De rol van de curator leidt ertoe dat de curator als belanghebbende in de zin van art. 10 lid 1 Fw moet worden aangemerkt.
  2. Het valt dan ook niet in te zien waarom hij ter bescherming van zijn getroffen eigen belang geen verzet zou mogen doen. De positie en de taak die de curator in het faillissement heeft, verzetten zich daartegen niet. Weliswaar dient de curator zich op neutrale en onafhankelijke wijze van zijn taak te kwijten, maar dat verhindert niet dat hij tot de slotsom kan komen dat de rechtspersoon (nagenoeg) geen activa bezit en dat die in het faillissement ook niet zijn te verwachten of te genereren.

Conclusie
Het antwoord op de gestelde vragen luidt derhalve dat, indien een rechtspersoon op eigen aangifte is failliet verklaard, de curator – uit eigen hoofde – als belanghebbende in de zin van art. 10 lid 1 Fw is aan te merken en verzet kan doen tegen de faillietverklaring, indien hij dat verzet doet op grond van de stelling dat de boedel (nagenoeg) geen baten bevat en baten ook niet te verkrijgen of anderszins te verwachten zijn.

Deel dit bericht: