Prejudiciële vragen in civielrechtelijke zaken

Ter bevordering van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling en rechtszekerheid kunnen rechters en raadsheren zogenaamde prejudiciële vragen stellen aan de Hoge Raad. In dit artikel wordt hierop ingegaan.

Prejudiciële vragen zijn rechtsvragen die spelen in civiele zaken (art. 392 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna: Rv). Een prejudiciële vraag houdt in een rechtsvraag dan wel een vraag over de uitleg van het recht (die wordt gesteld naar aanleiding van de zaak waarin de rechtsvraag wordt gesteld). De rechter kan zelfstandig (ambtshalve) op of verzoek van procespartijen een rechtsvraag stellen.

Het stellen van prejudiciële vragen is mogelijk indien het antwoord op die vraag nodig is om op de zaak te beslissen. Voorts moet het antwoord rechtstreeks van belang zijn voor een groot aantal soortgelijke vorderingen (massaschade en massavorderingen) of voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere soortgelijke geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet. Zie bijvoorbeeld hier.

Door het stellen van een rechtsvraag wordt de zaak aangehouden, zie art. 392 lid 5 Rv. Na ontvangst van de beslissing van de Hoge Raad op de rechtsvraag wordt de zaak weer voortgezet. De beslissing van de Hoge Raad is bindend voor de rechter, maar niet voor andere rechters en andere procespartijen.

De Hoge Raad kan ook weigeren om antwoord te geven op een rechtsvraag. De wet geeft twee ruime weigeringsgronden, namelijk (i) de vraag leent zich niet voor beantwoording middels een prejudiciële beslissing of (ii) de vraag is van onvoldoende gewicht om beantwoording te rechtvaardigen (zie art. 393 lid 8 Rv).

Deel dit bericht: