Precontractuele fase

In dit artikel wordt een algemene beschrijving gegeven van de leer van de precontractuele fase en de mogelijke verplichtingen die voortvloeien uit het afbreken van de onderhandelingen tijdens deze fase.

De precontractuele fase: onderhandelingsfase
De precontractuele fase is de fase die voorafgaat aan (het sluiten van) een daadwerkelijke overeenkomst. Die fase kenmerkt zich als de onderhandelingsfase. Partijen onderhandelen met elkaar over (de inhoud van) een al dan niet te sluiten overeenkomst, waarbij over en weer eventueel al handelingen worden verricht ten behoeve van die overeenkomst. Gedacht kan worden aan het maken van kosten voor het inwinnen van advies van een adviesbureau.

Hetgeen tijdens de onderhandelingsfase is besproken en bedongen, is ook bepalend voor de inhoud van de daadwerkelijke overeenkomst. Zo speelt hierbij ook de rechtsregel uit het HR Haviltex arrest, inhoudende dat voor de uitleg van overeenkomsten niet alleen wat daadwerkelijk is overeengekomen van belang is, maar ook wat partijen bedoeld hebben (en over een weer mochten verwachten). In het geval van onenigheid over de uitleg van de overeenkomst zal de rechter ook kijken naar de gang van zaken ten tijde van de precontractuele fase.

Schadevergoeding wegens afbreken onderhandelingen
Wanneer een van de partijen de onderhandelingen afbreekt, kan dat in bepaalde gevallen tot gevolg hebben dat de afbrekende partij schadeplichtig wordt jegens de ander. Uit de jurisprudentie (zie onder andere HR Baris/Riezenkamp, HR Plas/Valburg en in het bijzonder HR CBB/JPO) volgt dat partijen vrij zijn om de onderhandelingen af te breken zonder dat daardoor een schadevergoeding moet worden betaald, tenzij dat op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of wegens andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn (vergelijk art. 6:248 BW voor de normen die de overeenkomst beheersen). Daarbij dient, aldus de Hoge Raad, rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de afbrekende partij tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van die partij. De Hoge Raad vult de voorgaande regel aan met: ‘’Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen’’. In de oudere jurisprudentie (zie HR Plas/Valburg) hanteerde de Hoge Raad nog de drie fasen-leer.

Er is sprake van een gerechtvaardigd vertrouwen indien er op de essentiële punten overeenstemming is gekomen en een partij daarmee concreet zicht heeft gekregen op een overeenkomst. De redelijkheid en billijkheid (zie HR Baris/Riezenkamp) brengt dan met zich mee dat afbreken in dat stadium niet zomaar toelaatbaar is.

Er zijn geen concrete regels te geven over wanneer er al dan niet een recht bestaat op schadevergoeding door het afbreken van de onderhandelingen. De rechter toetst het onderhavige geval intensief en betrekt daarbij alle omstandigheden. Enkele factoren kunnen bijvoorbeeld zijn de gemaakte kosten, de betrokken belangen en de duur van de onderhandelingen. Naarmate die hoger of groter zijn, zal de kans groter zijn dat de rechter een gerechtvaardigd vertrouwen aanneemt.

Welke schade kan de wederpartij vorderen van de afbrekende partij? De vorderende partij kan kiezen tussen het positief contractsbelang of het negatief contractsbelang. Het positief contractsbelang betreft de schadevergoeding die gelijk is aan de gederfde dan wel misgelopen winst (dus de winst die de partij zou hebben genoten indien de overeenkomst wel was gesloten). Het negatief contractsbelang is de schadevergoeding waardoor er voor de vorderende partij de situatie ontstaat zoals die zou zijn geweest in het geval dat er geen onderhandelingen waren geweest.

Verplichting tot dooronderhandelen? Pactum de Contrahendo
In sommige gevallen is een partij die wenst te stoppen met de onderhandelingen toch gehouden om door te onderhandelen. Die verplichting bestaat indien partijen dat contractueel zijn overeengekomen. Ook bestaat die verplichting indien de redelijkheid en billijkheid dat eist (daarbij speelt weer het gerechtvaardigd vertrouwen). Onder dooronderhandelen kan niet worden verstaan het dooronderhandelen totdat er een overeenkomst op tafel ligt, maar louter de inspanning om door te onderhandelen. Er bestaat geen verplichting tot dooronderhandelen indien dat blijvend onmogelijk is, de wederpartij al met een derde partij een overeenkomst is aangegaan of dooronderhandelen redelijkerwijs geen doel meer treft. Vanwege de spoedeisendheid voor een partij om door te kunnen onderhandelen, leent een kort geding zich uitermate voor een vordering tot dooronderhandelen. Samen met de vordering tot dooronderhandelen kan ook een dwangsom worden gevorderd om een extra financiële prikkel te geven aan de belemmerende partij.

Deel dit bericht: