Preconstitutief handelen

Een vennootschap ontstaat op het moment van het verlijden van de notariële akte. De wetgever biedt de oprichters van de vennootschap echter de mogelijkheid om, vóórdat de vennootschap daadwerkelijk is opgericht, al rechtshandelingen te verrichten namens de op te richten vennootschap. Dergelijk handelen worden aangeduid als preconstitutief handelen. De ratio hierachter is dat hierdoor (ter voorbereiding) al rechtshandelingen kunnen worden verricht, zonder dat er moet worden gewacht op de daadwerkelijke oprichting van de vennootschap. Zo kan men namens de BV (BV i.o.) al koopovereenkomsten, huurovereenkomsten, kredietovereenkomsten of arbeidsovereenkomsten aangaan. Preconstitutief handelen is zowel bij een BV als NV mogelijk. De begrippen BV en NV zijn in dit artikel uitwisselbaar.

Wie is bevoegd?
Normaliter zullen de oprichters (vaak ook de toekomstige bestuurders) preconstitutief handelen, maar ook andere personen (zoals vertegenwoordigers en werknemers met volmacht) zijn daartoe bevoegd.

Wanneer en op welke wijze wordt de vennootschap gebonden?
De hoofdregel is dat de op te richten vennootschap slechts wordt gebonden aan vóór de oprichting gedane rechtshandelingen, indien de vennootschap deze rechtshandelingen na haar oprichting uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigt. Uitdrukkelijk bekrachtigen kan bijvoorbeeld door het sturen van een brief naar een crediteur met de mededeling dat de BV vanaf een bepaalde datum de rechten en verplichtingen uit de overeenkomst zal overnemen. Stilzwijgend bekrachtigen kan bijvoorbeeld doordat dat de BV (zonder mededeling) verdergaat met de betalingen van een crediteur waarmee van tevoren een overeenkomst is gesloten. Als de BV de rechtshandelingen niet bekrachtigt na haar oprichting, dan wordt zij daaraan dus ook niet gebonden.

Daarnaast is bij sommige rechtshandelingen ook directe binding mogelijk. In dat geval moet de rechtshandeling worden opgenomen in de akte van oprichting, in de praktijk gebeurt dat ook wel middels een akte van bekrachtiging. De wet geeft een limitatieve opsomming van rechtshandelingen die direct bekrachtigd kunnen worden. Dat zijn:

  • Uitgifte van aandelen
  • Aanvaarding van stortingen op die aandelen
  • Aanstelling van bestuurders van de vennootschap
  • Benoemen van commissarissen (voor de raad van commissarissen)
  • Betaling van oprichtingskosten
  • Bezwarende rechtshandelingen zoals genoemd in artikel 2:204 en artikel 2:94 BW

In het geval van onvoldoende zorgvuldigheid bij de uitvoering van de hierboven genoemde rechtshandelingen, is de bestuurder aansprakelijk voor schade die daaruit voortvloeit.

Aansprakelijkheid
Een ander belangrijk aspect van dit leerstuk is de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de oprichters. Totdat de vennootschap de rechtshandeling heeft bekrachtigt, blijven degenen die handelden namens de vennootschap aansprakelijk. Die regel gaat niet op ingeval contractpartijen bij de rechtshandelingen uitdrukkelijk een andere regeling zijn overeengekomen.

Ook in het geval dat de opgerichte vennootschap na bekrachtiging haar verplichtingen uit een overeenkomst niet nakomt, is degene die preconstitutief handelde hoofdelijk aansprakelijk voor schade die derden daardoor lijden, indien degene wist of redelijkerwijs kon weten dat de vennootschap haar verplichtingen (uit hoofde van de rechtshandeling) niet zou kunnen nakomen (vergelijkbaar met de Belklamel-norm). Dat kan bijvoorbeeld zijn doordat de oprichter een bedrijfsmiddel aanschaft met een dusdanig hoge waarde dat de opgerichte vennootschap die schuld die daaruit voortvloeit niet kan voldoen. Indien de oprichters niet konden weten dat de vennootschap de verplichtingen niet kon nakomen, dan kunnen de oprichters ook op andere manieren aansprakelijk worden gesteld. Dat kan bijvoorbeeld via een onrechtmatige daad actie of de regeling van de interne en externe bestuurdersaansprakelijkheid). Zie voor het laatstgenoemde ook hier.

Wanneer de vennootschap binnen één jaar failliet gaat, dan wordt de bestuurder ook aansprakelijk gesteld. Dan wordt immers geacht dat de wetenschap dat de vennootschap na oprichting de verplichtingen niet kon nakomen bij de bestuurder aanwezig is. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat oprichters/bestuurders zorgvuldig moeten handelen bij het verrichten van rechtshandelingen namens een (nog op te richten) vennootschap.

Deel dit bericht: