Pandhouder gelijkgesteld met schuldeiser in de zin van art. 1 Faillissementswet

In de recente beschikking van 9 december jl. heeft de Hoge Raad (HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2833) verduidelijkt wat de bevoegdheden van de pandhouder zijn. Dit artikel geeft een korte schets van de beschikking en haar belangrijkste rechtsoverwegingen. Vervolgens wordt de beschikking voorzien van commentaar. Kennis van het goederenrecht wordt bekend verondersteld.

Casus voor zover relevant

De casus is, voor de verandering, vrij simpel. A heeft een huurovereenkomst met B. Uit hoofde van die overeenkomst heeft A een vordering op B tot betaling van huur. C (pandhouder) heeft een pandrecht op die vordering van A (pandgever).[1]  Vervolgens heeft C haar pandrecht aan B (schuldenaar) medegedeeld.[2] Door die mededeling wordt C bevoegd om de vordering te innen.[3] B weigert echter om te betalen en C wil daarom het faillissement van B aanvragen.[4]

Oordelen lagere instanties

De rechtbank en het hof oordelen dat C niet bevoegd is tot het doen van de faillissementsaanvraag, omdat die bevoegdheid zou vallen buiten art. 3:246 lid 1 en 2 BW. Zij menen dat die bevoegdheid bij de pandgever/schuldeiser blijft. C is geen schuldeiser van de debiteur van de verpande vordering. De twee argumenten tegen het toekennen van een dergelijke bevoegdheid zijn dus dat (i) die bevoegdheid niet uit het pandrecht volgt en (ii) dat de pandhouder geen schuldeiser is.[5]

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad is een andere mening toegaan en vernietigt (gedeeltelijk) de beschikking van het hof. Uit de beschikking van de Hoge Raad volgt dat de inningsbevoegdheid van de pandhouder de bevoegdheid tot verhaal van de vordering op het vermogen van de schuldenaar omvat. De Hoge Raad trekt een parallel met de bevoegdheid tot het aanvragen van het faillissement van de schuldenaar: die bevoegdheid strekt (ook) tot verhaal van de vordering op het vermogen van de schuldenaar. Daarom moet de openbaar pandhouder worden aangemerkt als schuldeiser in de zin van art. 1 lid 1 Fw. De Hoge Raad voegt daaraan toe dat in dat geval de pandgever slechts met instemming van de pandhouder of machtiging van de kantonrechter het faillissement van de schuldenaar kan aanvragen.[6] De lagere instanties hebben het begrip ‘schuldeiser’ en de bevoegdheden van de pandhouder dus te streng uitgelegd.

Commentaar 

De kern en essentiële rechtsoverwegingen van de beschikking zijn, mijns inziens, duidelijk: de pandhouder is na mededeling van zijn pandrecht aan de schuldenaar van de pandgever bevoegd tot het aanvragen van het faillissement van die schuldenaar. In dat geval wordt de pandhouder dus gelijkgesteld met een schuldeiser in de zin van de Faillissementswet, waardoor hem ook die bevoegdheid toekomt. Blijkbaar wordt het begrip schuldeiser in de zin van art. 1 lid 1 Fw dus ruim uitgelegd.[7] Het wordt in casu ruim uitgelegd, omdat de pandhouder strikt genomen geen schuldeiser is van de schuldenaar. Dat is (en blijft) namelijk de pandgever zelf. Tussen de pandgever en de schuldenaar is in casu namelijk een huurovereenkomst, uit hoofde waarvan de pandgever een vordering heeft op de schuldenaar en derhalve schuldeiser is.

De Hoge Raad vergelijkt de strekking van de inningsbevoegdheid met die van de bevoegdheid tot het doen van de faillissementsaanvraag. Zij constateert dat deze gelijk zijn en oordeelt dan ook dat de inningsbevoegdheid mede omvat de bevoegdheid tot de faillissementsaanvraag. Een mooi voorbeeld van rechtsvinding en interpretatie: de wet kent de pandhouder nergens de bevoegdheid toe om het faillissement van de schuldenaar aan te vragen. In dat licht noem ik even de numerus clausus.

Vergelijk ook deze passage uit HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:415, r.o. 3.5.1:

‘’ Na die mededeling is de pandhouder ook bevoegd tot opzegging wanneer de vordering niet opeisbaar is, maar door opzegging opeisbaar kan worden gemaakt (art. 3:246 lid 2 BW). Andere schuldeisersbevoegdheden met betrekking tot de vordering kent de wet de pandhouder niet toe, zodat moet worden aangenomen dat deze bij de pandgever blijven rusten. ‘’ 

Het voorgaande laat onverlet dat het oordeel van de Hoge Raad vooralsnog aansluit bij het wettelijke bevoegdhedenpakket van de pandhouder en een logische dan wel praktische toevoeging daarop is. Door het toekennen van deze bevoegdheid is de pandhouder een belangrijk en doelmatig pressiemiddel rijker. De pandhouder heeft daarom geen verbintenisrechtelijke relatie met de schuldenaar, doch wordt zij gelijkgesteld met de schuldeiser. Evenwel is het oordeel van de Hoge Raad begrijpelijk en bevredigend, immers de pandhouder is na mededeling bevoegd om nakoming van de vordering te eisen. Daarbij past ook deze bevoegdheid. Hiermee kan zij haar reeds bestaande bevoegdheid tot afdwinging van voldoening van de vordering afdwingen. De pandhouder hoeft zich vervolgens niks aan te trekken van het door hem geëntameerde faillissement, daar zij separatist is en de vordering kan innen als ware er geen faillissement.[8]

Gelet op de summiere uitleg en het gebrek van aan het aanhalen van bronnen en/of parlementaire geschiedenis zijn de denkstappen die hebben geleid tot de belangrijke rechtsoverweging echter niet erg duidelijk. Voor dogmatici zou het fijn zijn geweest als de Hoge Raad zelve enkele denkstappen had weergegeven. Hiervoor dient dan te worden uitgeput in de conclusie van de A-G bij deze beschikking. Al met al een belangrijk arrest ten gunste van de pandhouder. Deze beschikking past dan ook in de lijst van bekende arresten zoals HR Dix/ING en HR Rabobank/Reuser. De pandhouder heeft nu meer zekerheid tot voldoening van de verpande vordering, waardoor zij welwillender zal zijn met kredietverstrekking aan de pandgever. De debiteur van de pandgever kan daarentegen bij wanbetaling worden geconfronteerd met een faillissementsaanvraag afkomstig van de pandhouder.

[1] Dit is een stil pandrecht op een vordering, zie art. 3:239 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.

[2] art. 3:246 lid 1 BW.

[3] art. 3:246 lid 1 BW.

[4] Art. 1 lid 1 Faillissementswet.

[5] Zie voor dit alles Hof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2264, rechtsoverwegingen 3.6 en 3.7.

[6] HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2833, r.o. 3.3.3 en 3.3.4.

[7] Vergelijk Asser/Sieburgh 6-I 2016/28.

[8] Art. 57 lid 1 Fw, let wel op art. 63a lid 1 Fw.

Deel dit bericht: