Ontbinding van rechtspersonen

Een rechtspersoon ontstaat bij het verleiden van de notariële akte (art. 2:4 BW) en houdt op te bestaan door ontbinding. Gelet op de plaatsing van de ontbindingsbepalingen van Boek 2, geldt deze ontbindingsregeling voor alle rechtspersonen. Dit artikel tracht een algemene uitleg te geven van de ontbinding.

Ontbindingsgronden
In art. 2:19 lid 1 BW wordt een limitatieve opsomming gegeven wanneer een rechtspersoon wordt ontbonden:

  • Door een besluit van de algemene vergadering (de algemene ledenvergadering bij verenigingen dan wel algemene vergadering van aandeelhouders bij BV’s en NV’s)
  • Bij het intreden van een in de statuten bepaalde gebeurtenis of datum (vergelijk art. 2:17 BW waaruit volgt dat een rechtspersoon voor onbepaalde tijd wordt opgericht)
  • Na faillietverklaring door hetzij opheffing van het faillissement wegens de toestand van de boedel, hetzij door insolventie
  • Door het geheel ontbreken van leden (verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen moeten immers leden hebben)
  • Door een beschikking van de Kamer van Koophandel (zie art. 2:19a BW; hierdoor een ‘’lege’’ BV of NV door de KvK worden ontbonden ter opschoning van het Handelsregister)
  • Door de rechter

Ontbinding op verzoek door rechtbank
Het laatstgenoemde wordt in art. 2:20 en 2:21 BW nader uitgewerkt. Op grond van art. 2:20 kan een rechtspersoon waarvan de werkzaamheden in strijd zijn met de openbare orde (op verzoek van het OM) verboden worden verklaard en ontbonden.

Ontbinding op verzoek kan tevens indien het doel van de rechtspersoon in strijd is met de openbare orde.

Uit art. 2:21 BW volgt dat de rechtbank (wederom op verzoek van het OM, maar in dit geval kan het ook van een belanghebbende afkomstig zijn, zoals een aandeelhouder) de rechtspersoon ontbindt indien:

  • Aan zijn totstandkoming gebreken kleven
  • Zijn statuten niet aan de wettelijke eisen voldoen
  • Hij niet onder de wettelijke omschrijving van zijn rechtsvorm valt
  • Hij overtreedt de voor zijn rechtsvorm gestelde verboden of hij handelt in ernstige mate in strijd met zijn statuten

De rechter kan de rechtspersoon voorts een termijn gunnen om op eigen kracht haar gebreken te herstellen.

Ontbinding en vereffening
Voor vereffening geldt het volgende. Voor zover er vermogen aanwezig is wat vereffend moet worden, blijft de rechtspersoon na ontbinding voortbestaan (art. 2:19 lid 5 BW).

In geval van vereffening (het verdelen van het vermogen tussen schuldeisers van een ontbonden rechtspersoon) houdt de rechtspersoon van rechtswege op te bestaan, indien de vereffening eindigt (art. 2:19 lid 6 BW). De vereffening eindigt op het tijdstip waar geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig zijn (art. 2:23b lid 9 BW).

Slotopmerkingen
Een enquêteprocedure kan resulteren in het ontbinden van de rechtspersoon (art. 2:356 sub f BW).

Voor splitsende en fuserende rechtspersoon is geen aparte ontbinding vereist; zij houden van rechtswege op te bestaan (art. 2:311 lid 1 BW jo. 2:334a lid 2 BW).

Hoe weten derden dat de rechtspersoon is ontbonden? Uit art. 2:19 lid 3 BW volgt de verplichting dat de (opgaaf van) ontbinding moet worden ingeschreven in het Handelsregister. Zie voorts art. 24 Handelsregisterwet, waaruit volgt dat de inschrijving moet worden gepubliceerd (in de Staatscourant of op de website van de KvK).

Deel dit bericht: