Kort geding

In dit artikel wordt summierlijk ingegaan op de kort gedingprocedure bij de (civiele) voorzieningenrechter. Dit moet niet worden verward met de bestuursrechterlijke voorzieningenrechter, welke zijn regeling vindt in de Algemene wet bestuursrecht.

Definitie
Een kort geding is een versnelde dan wel spoed(dagvaardings)procedure. In vergelijking tot de standaard dagvaardingsprocedure bestaat een kort geding uit minder fases, waardoor er sneller tot een (voorlopig) rechterlijk oordeel kan worden gekomen.

Het civielrechtelijk kort geding is geregeld in artikel 254 en verder van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). De wet stelt in art. 254 lid 1 Rv dat in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, is de voorzieningenrechter bevoegd deze te geven (vergelijk ook art. 8:81 Awb).

Een kort geding biedt uitkomst voor een partij die vanwege de vereiste spoed niet lang kan wachten op een rechterlijk oordeel (bijvoorbeeld het oordeel strekkende tot een verbod om iets te doen of een oordeel inhoudende iets te dulden). Uit art. 254 lid 1 Rv volgt dat het oordeel van de rechter in een kort geding procedure een voorlopige is (zie ook art. 257 Rv). Dat houdt in dat met een oordeel in kort geding, het niet betekent dat de gehele zaak is afgerond. Partijen kunnen daarna voortgaan met de bodemprocedure, waarbij de bodemprocedurerechter niet is gebonden aan de beslissing in kort geding (art. 257 Rv).

Eisen
De eisen om een kort geding te kunnen starten, zijn:

  • Bij de absolute en relatieve bevoegde voorzieningenrechter aanhangig maken.
  • Er moet sprake zijn van spoedeisendheid, gelet op de betrokken belangen. Hierbij geldt de hoofdregel van art. 150 Rv: wie stelt dat er spoedeisendheid is, moet dat bewijzen.
  • De zaak moet geschikt zijn om in kort geding te worden beslist (art. 256 Rv). Een zaak is daarvoor geschikt indien de feiten en omstandigheden niet (al te) complex zijn.

Indien er niet aan de eisen wordt voldaan, weigert de voorzieningenrechter de voorziening, zie art. 256 Rv. In dat geval zal de partij genoegen moeten nemen met het procederen in de bodemzaak.

Enkele bijzonderheden aan kort geding en rechtsmiddelen
Het bijzondere aan kort geding procedures is dat hierbij (in vergelijking tot de gewone dagvaardingsprocedure) meer ruimte is voor mondelinge pleidooien. Voorts geldt hier geen verplichte procesvertegenwoordiging voor de gedaagde, zie art. 255 lid 1 Rv. De gedaagde kan derhalve zowel in persoon als met advocaat procederen. Voor de gedaagde die niet aanwezig was tijdens de mondelinge behandeling is verzet mogelijk (zie art. 143 en 259 Rv). Ook kan tegen het vonnis in kort geding hoger beroep worden ingesteld, zij het dat de beroepstermijn slechts vier weken is in plaats van drie maanden. Zie voor het laatste art. 339 lid 1 en 2 Rv. Voorts kan tegen de uitspraak in hoger beroep ook (versneld) in cassatie worden gegaan bij de Hoge Raad, zie art. 398 e.v. Rv.

Deel dit bericht: