Kelderluik: factoren voor gevaarzetting

Een vereiste voor het vestigen van aansprakelijkheid op grond van een onrechtmatige daadsactie is dat de gedraging onrechtmatig moet zijn. De wet zegt dat hiervan sprake is indien er sprake is van een (i) inbreuk op een recht, (ii) een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of (iii) gehandeld is in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid. In dit artikel wordt ingegaan op de laatstgenoemde grond, specifiek de situatie van gevaarzettend handelen. Gevaarzetting valt onder handelen in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt (zie art. 6:162 lid 2 BW).

In het klassieke arrest HR Kelderluik heeft de Hoge Raad aangegeven naar welke factoren moet worden gekeken voor de vraag of er sprake is van gevaarzettend handelen en daarmee onrechtmatigheid.

De Hoge Raad stelt dat moet worden gekeken naar:

  • De mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid van anderen kan worden verwacht
  • De hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan
  • De ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben
  • De mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen (door degene die gevaarzettend handelt)

Er zal sneller sprake zijn van gevaarzettend handelen naarmate de bovenstaande factoren sterker kunnen worden ingevuld (bijvoorbeeld dat het niet bezwaarlijk was om veiligheidsmaatregelen te treffen of dat het waarschijnlijk was dat derde niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht zou nemen).

Het zijn uitdrukkelijk geen vaste criteria, maar factoren. Of er gevaarzettend is gehandeld moet derhalve worden afgewogen aan de hand van de omstandigheden van het geval.

Deel dit bericht: