Jong of oud, een plant blijft een plant (annotatie)

In deze uitspraak is de vraag aan de orde of planten na levering en door (intensieve) menselijke arbeid groot zijn gebracht, nieuwe zaken zijn in de zin van art. 5:16 BW. Deze vraag is relevant voor de eigendomskwestie, omdat dan ook bekend is aan wie de opbrengsten toekomen. Ik zal hieronder kort de relevante feiten uiteenzetten. Vervolgens zal ik de relevante jurisprudentie en literatuur behandelen. Daarna zal ik aangeven hoe de rechter oordeelt in casu om uiteindelijk af te sluiten met mijn eigen standpunt.

KB Orchideeën B.V. (hierna: KB) houdt zich bezig met het telen van orchideeën. Daartoe koopt zij zeer jonge plantjes in bij de groothandel Sion Young Plants B.V. (hierna: Sion). Op al haar leveringen aan KB heeft Sion eigendomsvoorbehoud bedongen. Om aan haar verplichtingen te blijven voldoen, heeft KB in ruil voor kredietverlening haar voorraad verpandaan de ABN Amro Bank N.V. (hierna: Bank). KB komt echter flink in het ‘rood’ te staan, waardoor de Bank de kredietovereenkomst opzegt. De Bank beroept zich op de verpande voorraden om hettekort (deels) op te vullen. Sion is echter van mening dat zij nog steeds eigenaar is van de geleverde plantjes, omdat KB nog niet de koopprijs volledig heeft afbetaald en derhalve de opbrengst van de verkoop van de planten aan haar toekomt. In de onderhavige zaak zijn dus Bank en Sion partijen in geding. Centraal staat in (juridische termen) de volgende vraag:

Heeft zaaksvorming plaatsgevonden nadien de planten door Sion zijn afgeleverd aan KB?

Om deze vraag te kunnen beantwoorden, is het noodzakelijk om te weten wat verstaan wordt onder zaaksvorming. Het centrale artikel over zaakvorming (5:16 BW) geeft aan dat van zaaksvorming sprake is indien iemand uit een of meer roerende zaken een nieuwe zaak vormt. Zaaksvorming kent derhalve twee kernvereisten: er moet een nieuwe zaak ontstaan en deze moet door iemand zijn gevormd.[1]Art. 5:16 BW is een algemene bepaling en is vooral relevant voor de vraag wie eigenaar is geworden van de gevormde zaak. Op het eerste gezicht lijkt dat in het onderhavige geval ook zo te zijn. Dat is het echter niet. In casu gaat het om de vraag óf er een nieuwe zaak is gevormd en niet door wie. Art. 5:16 geeft daar geen antwoord op. De antwoord dient gezocht te worden in de jurisprudentie. Twee arresten van de Hoge Raad geven belangrijke richtlijnen voor deze vraag. In zowel Gescheurde Orchideeën[2]als in Hollander’s Kuikenbroederij[3] geeft de Hoge Raad min of meer dezelfde criteria aan.

Vooral het eerst genoemde arrest heeft overeenkomsten met de onderhavige casus, nu beide casus over planten gaan. In Gescheurde Orchideeën had de Hoge Raad aangenomen dat er sprake was van zaakvorming. Nu de planten vroegtijdig in twee delen zijn gescheurd en vervolgens apart opgepot, zijn er later, naar verkeersopvatting, twee zelfstandige planten ontstaan. Er vindt daarom vormgeving plaats.Hierbij is het niet vereist dat menselijk ingrijpen van grote aard dient te zijn. Zelfs de lichtste ingrepen kunnen leiden tot vormgeving (zoals het scheuren van bladeren).[4]Zet men volgroeide planten bij elkaar, dan krijgt men niet één dezelfde plant, maar twee verschillende planten. Hierdoor hebben de planten een eigen identiteit (of naam) gekregen.[5]

Het vierde criterium is of de arbeid die heeft plaatsgevonden zodanig is dat van zaaksvorming kan gesproken worden. Ook dit dient naar verkeersopvattingen te worden beoordeeld. Het is echter een zeer subjectief element, nu al de kleinste ingrepen van belang kunnen zijn (denk aan het scheuren van de bladeren). Incidenteel is het echter duidelijk dat er veel menselijke arbeid noodzakelijk was voor de vormgeving. Zo is er voor het kunstmatig uitbroeden van eieren veel energie en aandacht nodig van de kweker.[6]

Terug naar Bank, Sion en KB. Of er zaakvorming heeft plaatsvonden, wordt – kort, maar krachtig – ontkennend beantwoord door de rechter. De rechtbank stelt dat het onmiskenbaar vaststaat dat op het moment dat de plantjes binnenkomen bij KB zij ‘dan al over alle kenmerkende eigenschappen beschikken die, bij verdere teelt en uitgroei, volwassen Phalaenopsisplanten (de uiteindelijke bestemming van de orchideeën planten, BU) kunnen opleveren.[7] Al de handelingen die KB vervolgens pleegt, zien er toe tot het bevorderen van de uitgroei. Er ontstaat geen nieuwe zaak met een nieuwe identiteit. Ook de argumenten van de Bank dat de volgroeide planten nu economisch meer waard zijn en dat zonder de zorg van KB de planten het niet hadden gered, worden door de rechter verworpen. Deze argumenten – die feitelijk juist kunnen zijn – veranderen niets aan het gegeven dat er geen nieuwe zaak is gevormd. De rechtbank concludeert daarom ook dat KB nimmer eigenaar is geweest van de planten en dat daarom de Bank niet gerechtigd is tot de opbrengst van de verkoop van de planten.[8] Het antwoord op de centrale vraag luidt daarom ‘nee’.

Opvallend is dat de rechter betrekkelijk weinig woorden wijdt aan om de beoordeling van zaaksvorming te beantwoorden. Eigenlijk verwoord de rechter in twee zinnen zijn overweging (zie r.o. 4.4). Hij gaat niet in op het criterium van menselijke arbeid, de verkeersopvattingen en de waarde van de arbeid. Logisch is dat echter wel. Naar verkeersopvatting zou er ook geen nieuwe zaak gevormd worden. Een redelijk handelend persoonzal, naar mijn mening, met het oordeel van de rechter eens zijn. Immers, een jong plantje groeit uit tot een grote plant. De biologische kenmerken veranderen niet. Een kalf wordt immers ook geen nieuwe zaak als het groeit tot een koe (dieren zijn geen zaken, maar bepalingen omtrent zaken gelden ook voor dieren, art. 3:2 jo. 3:2a BW).Deze uitspraak is ook in overeenstemming met de uitspraak van de Hoge Raad van 1992, waarin besloten werd dat het casco van een schip reeds moet worden aangemerkt als schip en dat de identiteit niet verandert doordat het wordt afgebouwd.[9] Ook in casu verandert de identiteit niet van een plant door het te laten uitgroeien (onder meer middels voldoende zorg te bieden). Overigens ben ik in de literatuur niets tegengekomen wat deze logische uitspraak onderuit zou kunnen halen. Ik vind het bijzonder prettig dat de rechter niet een heel betoog houdt. Hij komt meteen tothe point. Bovendien is het voor mij duidelijk waarom de rechter tot dit oordeel is gekomen. Wellicht had de rechter zijn oordeel uitgebreider kunnen motiveren om eventuele hoger beroep te voorkomen (op grond van onvoldoende motivering van de uitspraak). De motivering van de rechter zou in strijd met het motiveringsbeginsel kunnen zijn. Ik denk echter dat daar geen sprake van is. De rechter is duidelijk is haar oordeel en onderbouwt dit voldoende. Om eerlijk te zijn, betwijfel ik of de rechter überhaupt meer woorden kan wijden aan de motivering. De casus leent zich namelijk daar niet voor, want het is een relatief simpele zaak zonder complexe rechtsverhoudingen en rechtsregels.[10]

[1]Reehuis& Heisterkamp 2012, p. 393.

[2]HR 5 december 1986, NJ 1987/745.

[3] HR 24 maart 1995, AA 1995, 705.

[4] H.A.G. Fikkers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming, Nijmegen: Ars AequieLibri 1999, p. 65-69.

[5] J.E. Wichers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming, (diss. Rijksuniversiteit Groningen) 2002, p.190-192.

[6] Punt 7 van de annotatie van J. Hijma bij de uitspraak Hollander’sKuikenbroerderij.

[7]Rb. Den Haag, 18 mei 2016,  ECLI:NL:RBDHA:2016:5944, r.o. 4.4.

[8]Rb. Den Haag, 18 mei 2016,  ECLI:NL:RBDHA:2016:5944, r.o. 4.6.

[9] Hoge Raad 14 februari 1992, NJ 1993/623.

[10]De rechter gaat vervolgens in op de vraag of KB (en zo de Bank) recht heeft op kosten die gemaakt zijn ter bevordering van het groei van de planten.  Deze vraag, hoe interessant zij ook is met betrekking tot de leerstukken van eigendomsvoorbehoud, ter goeder trouw en ongerechtvaardigde verrijking, is niet relevant voor de centrale vraag van deze annotatie en wordt daarom ook niet besproken (zie r.o. 4.7-4.11).

Deel dit bericht: