Hippisch recht: aansprakelijkheid voor bezitter

De wet bevat voor bezitters van dieren een risicoaansprakelijkheidsgrond voor schade die dieren aanrichten. Deze aansprakelijkheidsgrond is vervat in art. 6:179 BW. In dit artikel wordt hierop nader ingegaan.

Het behoeft weinig fantasie om in te beelden wanneer aansprakelijkheid voor dieren in beeld kan zijn. Denk bijvoorbeeld aan een steigerend paard wat door die gedraging schade verricht aan personen die dicht bij het paard staan. Voor dergelijke ongevallen vestigt art. 6:179 BW in beginsel een aansprakelijkheid voor de bezitter van het schadeveroorzakend dier.

Deze aansprakelijkheidsgrond bevat een (nogal cryptische) ‘’tenzij’’ clausule; de bezitter is aansprakelijk, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad. Denk hierbij aan de situatie dat de bezitter het dier gebruikt ter afwering van een inbreker, zijnde een persoon die zich onbevoegd op het terrein bevindt. Dat is enerzijds een rechtvaardigingsgrond en anderzijds een situatie waarin de geschonden norm niet strekt tot bescherming van de benadeelde (de relativiteitseis uit art. 6:163 BW).

Wat zijn de concrete toepassingsvoorwaarden voor het vestigen van aansprakelijkheid ex art. 6:179 BW?

  • De aangesprokene moet bezitter zijn van het dier (dit wordt bepaald aan de hand van art. 3:107 BW; bezit kan middellijk en onmiddellijk zijn; denk bijvoorbeeld aan de middellijke bezitter die een derde op zijn paard laat rijden)
  • Vanzelfsprekend moet er schade zijn (welke niet is aangericht onder leiding van de bezitter)
  • Door de gedraging van het dier is schade ontstaan (causaal dan wel condicio sine qua non verband)
  • Gedraging komt voort uit de eigen energie van het dier (het dier beweegt zichzelf zelfstandig tot de schadeveroorzakende gedraging)

Art. 6:179 BW gaat uit van de privésituatie waarin een dier schade toebrengt. Indien het dier wordt gebruikt in de uitoefening van een bedrijf (denk aan een manege) dan is degene die het bedrijf uitoefent aansprakelijk voor de door het dier ontstane schade.

Voorts zijn medebezitters hoofdelijk (dus ieder voor het geheel, zie art. 6:7 BW) aansprakelijk, art. 6:180 lid 1 BW.

Eigen schuld van de betrokken persoon (die schade ondervindt van de gedraging van het dier) kan via de billijkheidscorrectie van art. 6:101 BW worden verdisconteerd.

Deel dit bericht: