Het rechterlijk beslissingsschema

Over welke vragen beraadslaagt de strafrechter na het onderzoek ter terechtzitting? Op grond van de wet moet de rechter twee soorten schema’s van vragen doorlopen, wil hij komen tot het opleggen van een straf of maatregel. Dat zijn de formele vragen (voorvragen) en de materiële vragen (hoofdvragen). In dit artikel worden deze vragen uiteengezet. Het artikel gaat uit van enige (voor)kennis van het Nederlands strafprocesrecht van de lezer.

Tenlastelegging en grondslagleer
Wat bepaalt, uiteraard naast het recht, het kader waarbinnen de rechter zijn onderzoek moet uitvoeren? De rechter neemt bij de beantwoording van de vragen de tenlastelegging van de officier van justitie als uitgangspunt. Dat betreft de zogenaamde grondslagleer. Hij mag bijvoorbeeld geen hogere straf opleggen dan in de tenlastelegging is geëist en hij mag alleen bewezen verklaren waar de verdachte van wordt verdacht. De rechter beraadslaagt op grondslag van de tenlastelegging en het onderzoek ter terechtzitting.

Formele vragen van art. 348 Wetboek van Strafvordering
De formele vragen zijn hieronder weergegeven, in de volgorde zoals ze zijn opgenomen in de wet en door de rechter beantwoord moeten worden.

  1. Is voldaan aan alle wettelijke eisen die aan de dagvaarding worden gesteld? (is de dagvaarding geldig?)
  2. Is de rechter bevoegd?
  3. Is de officier van justitie ontvankelijk?
  4. Is er een grond voor schorsing der vervolging?

Wanneer de rechter op een vraag blijkt haken, dan zal er een einduitspraak volgen en komt hij niet toe aan beantwoording van de materiële vragen.

Materiële vragen van art. 350 Wetboek van Strafvordering
De formele vragen zijn hieronder weergegeven, in de volgorde zoals ze zijn opgenomen in de wet en door de rechter beantwoord moeten worden.

  1. Is bewezen dat het feit (in de tenlastelegging) door de verdachte is begaan?
  2. Kan het bewezenverklaarde feit worden gekwalificeerd? (welk strafbaar feit levert het feit op?)
  3. Is de verdachte strafbaar?
    a. Is er sprake van wederrechtelijkheid?
    b. Is er sprake van verwijtbaarheid?
  4. Moet aan de verdachte een straf of maatregel worden opgelegd?

Verschillende antwoorden leiden tot verschillende uitspraken. Als het tenlastegelegde feit niet bewezen kan worden dan volgt vrijspraak. Bij geen sprake van een strafbaar feit of strafbaarheid volgt ontslag van alle rechtsvervolging.

Het vonnis
Voorts bevat de wet bepalingen over het al dan niet opnemen van de beslissingen van de vragen in het vonnis. Een complicatie bij de formele vragen, waardoor er een einduitspraak volgt, moet worden opgenomen in het vonnis. De beslissingen over de materiële vragen worden ook opgenomen in het vonnis. Verder moeten bepaalde verweren van de procespartijen en motiveringen van de rechter ook worden opgenomen:

  • De rechter moet motiveren waarom hij de verweren van de verdachte en officier van justitie tegen een einduitspraak op een formele vraag niet volgt.
  • Niet volgen van verweren tegen bewezenverklaring en strafbaarheid moet de rechter motiveren.
  • Een negatieve beslissing op de voorvragen moet de rechter motiveren.
  • Alle beslissingen op de hoofdvragen moeten door de rechter worden gemotiveerd.
  • De rechter moet motiveren welke bewijsmiddelen hij heeft gebruikt om te komen tot een bewezenverklaring.
  • Bij geen strafoplegging geldt alleen een verkorte motiveringseis.
Deel dit bericht: