Groep, dochter of deelneming?

In de wet wordt aangegeven wanneer er sprake is van een groepsmaatschappij, dochtermaatschappij of deelneming. Hieronder worden de relevante artikelen behandeld om zodoende te achterhalen wanneer hiervan sprake is.

Groep art. 2:24b BW
In de wet staat: “Een groep is een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. Groepsmaatschappijen zijn rechtspersonen en vennootschappen die met elkaar in een groep zijn verbonden.”

Deze omschrijving spreekt voor zich alleen is de wettekst onvolledig omdat volgens de rechtspraak in art. 2:24b BW moet worden ingelezen dat er sprake moet zijn van centrale leiding. Er is sprake van centrale leiding indien de maatschappij die aan het hoofd van de groep staat feitelijk invloed kan uitoefenen op de rechtspersoon of vennootschap onder hem. Hierdoor moet je de eerste zin als volgt lezen:

“Een groep is een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden onder centrale leiding van een groepshoofd

Dochter art. 2:24a BW
Een dochtermaatschappij (hierna: dochter) is een rechtspersoon waarin een andere rechtspersoon de meerderheid van de stemrechten kan uitoefenen in de algemene vergadering van aandeelhouders, dan wel de bevoegdheid heeft om de meerderheid van de bestuurders of de commissarissen te benoemen of ontslaan (lid 1). Verder is ook een dochter een vennootschap waarin een rechtspersoon als vennoot volledig aansprakelijk is voor de schulden van de vennootschap (lid 2). In het tweede lid wordt met vennootschap een personenvennootschap bedoeld.

Deelneming art. 2:24c BW
Er is sprake van een deelneming indien een rechtspersoon voor eigen rekening kapitaal verschaft aan een andere rechtspersoon teneinde met deze rechtspersoon duurzaam verbonden te zijn ten behoeve van zijn eigen werkzaamheid (lid 1). Verder staat in lid 1 dat het bestaan van een deelneming wordt vermoed indien een vijfde (20%) of meer van het geplaatst kapitaal wordt verschaft. In lid 2 wordt ingegaan wanneer sprake is van een deelneming in een personenvennootschap.

Opmerking
Wanneer aan artikel 2:24a BW wordt voldaan en er sprake is van een dochtermaatschappij, dan is er naar de letter van de wet eveneens sprake van een deelneming op grond van art. 2:24c BW. Echter, wanneer er sprake is van een dochter hoeft er geen sprake te zijn van een groepsmaatschappij. Het kan namelijk zijn dat de moedermaatschappij (hierna: moeder) gezamenlijk met een andere persoon of rechtspersoon meer dan 50% van de stemrechten kan uitoefenen, waardoor de dochter niet onder centrale leiding van de moeder staat.

Deel dit bericht: