Geldigheid van mondelinge afspraken

In dit artikel wordt ingegaan op de werking en geldigheid van mondelinge overeenkomsten. Een mondelinge overeenkomst is een overeenkomst die simpelweg niet schriftelijk is overeengekomen. Zijn deze mondelinge overeenkomsten altijd geldig en bruikbaar?

Hoofdregel en uitzonderingen (formele eis)
De hoofdregel voor de vormvereisten van rechtshandelingen is artikel 3:37 BW. Daaruit volgt dat verklaringen, met inbegrip van mededelingen, in iedere vorm kan geschieden, tenzij de wet anders bepaalt. Iedere vorm betekent hier schriftelijk en mondeling. Een aanbod en aanvaarding kunnen op beide wijze worden gedaan. Dat heeft tot gevolg dat overeenkomsten in beginsel ook mondeling kunnen worden aangegaan.

Duidelijk is ook dat de wet een beperking stelt. In sommige gevallen mag niet worden volstaan met mondelinge afspraken. Zo is voor het oprichten van een BV of NV niet voldoende dat er tussen de oprichters een mondelinge overeenkomst is tot het oprichten van de rechtspersoon. Voor een geldige oprichting zijn nadere handelingen vereist, zoals het oprichten via een notariële akte. Huwelijkse voorwaarden moeten op straffe van nietigheid worden aangegaan bij notariële akte, zie art. 1:115 BW. Ook in het arbeidsrecht gelden schriftelijkheidseisen voor bepaalde afspraken. Zo moet een boetebeding schriftelijk worden aangegaan (art. 7:650 lid 2 BW), hetzelfde geldt voor een concurrentiebeding met een meerderjarige werknemer (art. 7:653 lid 1 sub b BW). Daarentegen kan een maatschap wél mondeling worden aangegaan, zie art. 7A:1685 BW. Het voorgaande maakt duidelijk dat er veel uitzonderingen bestaan op de hoofdregel, waardoor (zekerheidshalve) de wet moeten worden geraadpleegd.

Geldigheid betreffende de inhoud (materiële eis)
De wet stelt ook beperkingen aan de inhoud van rechtshandelingen (en daarmee overeenkomsten). Het kernartikel in dit kader is art. 3:40 BW. Dat artikel leert ons dat rechtshandelingen die door hun inhoud of strekking in strijd zijn met de goede zeden of openbare nietig zijn. Nietigheid houdt in dat de rechtshandeling juridisch nooit heeft bestaan. In beginsel hoeft daarvoor niks te worden verricht (zoals een verklaring dat een partij zich beroept op nietigheid). Een uitzondering betreft echter de overschrijding van de wettelijke vertegenwoordigingsbeperking van de bestuurder van een NV of BV. Dit betreft een zogenaamde inroepbare nietigheid, inhoudende dat de rechtspersoon (ingeval van een overschrijding van een wettelijke vertegenwoordigingsbeperking door de bestuurder) gebonden is aan een overeenkomst met een derde zolang de rechtspersoon de nietigheid ervan niet heeft ingeroepen. Er mag echter van worden uitgegaan dat de werking van nietigheid in beginsel geen verdere actie vereist.

Terugkomend op art. 3:40 BW, volgt uit dit artikel dat bijvoorbeeld overeenkomsten tot moord of andere onrechtmatige handelingen steeds nietig zijn. Feitelijk kunnen dergelijke overeenkomsten schriftelijk worden nagegaan, maar juridisch hebben zij geen enkele waarde. Voorts kent de wet ook dwingendrechtelijke bepalingen, inhoudende dat men niet van deze bepalingen mag afwijken. Zie daarvoor art. 3:40 lid 2 BW en bijvoorbeeld art. 7:6 BW voor de dwingendrechtelijkheid van consumentenrecht.

Praktijk
In beginsel hebben schriftelijke en mondelinge afspraken dezelfde waarde. In beide gevallen is de rechtshandeling geldig, tenzij de wet anders bepaalt. Zo kent het Burgerlijke bewijsrecht de vrije bewijsleer, waarbij de burgerlijke rechter de bewijswaardering bepaalt (art. 152 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering). In een geschil tussen partijen waarbij schriftelijke dan wel mondelinge overeenkomsten worden overlegd, zal de rechter derhalve vrij zijn in het waarderen van de bewijskracht.

In de zakelijke wereld wordt de voorkeur gegeven aan het schriftelijk vastleggen van afspraken. Mondelinge afspraken zijn immers vergankelijk en het is, vooral wanneer hetgeen is besproken complex is, onduidelijk wat er daadwerkelijk is afgesproken. Nu het bij schriftelijke afspraken voorstelbaar is dat er misverstanden (interpretatieproblemen) ontstaan, kan dat bij mondelinge afspraken zelfs nog groter zijn. Mondelinge afspraken kunnen door de partij die baat heeft bij het niet bestaan van de afspraak, worden ontkend dan wel betwist. In dergelijke gevallen is het zeer lastig (en in sommige gevallen onmogelijk) om daadwerkelijk te kunnen bewijzen dat men op tijdstip X dat heeft afgesproken. Om al deze risico’s omtrent mondelinge afspraken te voorkomen, worden er schriftelijke overeenkomsten gesloten.

Kern
Het voorgaande maakt duidelijk dat mondelinge afspraken in beginsel (net als schriftelijke afspraken) geldig zijn, doch dat de wet daarop uitzonderingen maakt. In die uitzonderingsgevallen moeten de afspraken schriftelijk worden vastgelegd. Voorts verdient schriftelijkheid de voorkeur, wegens praktische (met name bewijstechnische) redenen.

Deel dit bericht: