Faillietverklaring turbogeliquideerde bv

In een voorgaand artikel is de turboliquidatie summier behandeld. Daarin is ter sprake gekomen dat schuldeisers een aantal mogelijkheden hebben om te trachten hun vordering op de turbogeliquideerde BV voldaan te krijgen. De mogelijkheid waarop in dit artikel nader wordt ingezoomd, is de mogelijkheid om een turbogeliquideerde BV failliet te verklaren.

In 1995 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het mogelijk is om een ontbonden rechtspersoon failliet te verklaren. Naast de gebruikelijke vier vereisten voor faillietverklaring oordeelt de Hoge Raad dat een ontbonden rechtspersoon pas failliet wordt verklaard, indien de aanvrager het bestaan van een (potentiële) baten voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Dit roept onmiddellijk de volgende vragen op:

  • Hoe ruim mag het begrip baten worden uitgelegd?
  • Wanneer is de baten voldoende aannemelijk gemaakt?

Op beide vragen kan een uitgebreid theoretisch antwoord worden geformuleerd, maar om het artikel kort en bondig te houden wordt een recent arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden besproken waarin een turbogeliquideerde BV failliet wordt verklaard. Door dit enkele arrest te bespreken, verkrijgt de lezer voldoende inzicht in de problematiek die rond deze vragen spelen.

Arrest
Uit het arrest is te herleiden dat de rechtbank de ontbonden BV (hierna: ABM) failliet heeft verklaard en dat de ABM vervolgens in hoger beroep is gegaan tegen de uitspraak. Volgens het Hof heeft de rechtbank de volgende beredenering gebruikt om ABM failliet te verklaren:

“De rechtbank heeft de ontbonden rechtspersoon ABM in staat van faillissement verklaard omdat na toetsing is gebleken dat ABM nog baten heeft, doordat de jaarstukken te laat zijn gedeponeerd en het heel wel mogelijk is dat de bestuurder met succes aansprakelijk kan worden gesteld. Daarnaast zijn er volgens de rechtbank aanwijzingen dat activa tegen een te lage prijs zijn vervreemd. ABM heeft volgens de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de bestuurder van ABM geen verhaal biedt.”

Uit het citaat is te herleiden dat de rechtbank twee onzekere aspecten als mogelijke baten aanmerkt. Ten eerste oordeelt de rechtbank dat ABM mogelijk nog een baten heeft, omdat de bestuurder wellicht op grond van art. 2:248 BW aansprakelijk kan worden gesteld. Ten tweede oordeelt de rechtbank dat er aanwijzingen zijn dat er paulianeuze rechtshandelingen zijn verricht. Ook blijkt uit het citaat dat het van belang is dat de bestuurder verhaal kan bieden voor enige vordering. Dit is van belang, omdat de bestuurder wellicht aansprakelijk kan worden gesteld maar indien de bestuurder onvermogend is, zal een faillissement niet leiden tot verhaal van de vorderingen.

Vervolgens geeft het Hof in rechtsoverweging 3.7 allereerst een beknopte samenvatting waarom een ontbonden rechtspersoon kan herleven in een procedure tot faillietverklaring. Daarna oordeelt het Hof:

“In hoger beroep is summierlijk gebleken van feiten en omstandigheden die het voldoende aannemelijk maken dat er mogelijke baten zijn, waarbij het begrip “baten” ruim dient te worden uitgelegd.”

Uit de geciteerde tekst blijkt dat het begrip baten ruim dient te worden uitgelegd. Verder blijkt uit het arrest dat ABM intellectuele eigendomsrechten heeft overgedragen aan een andere partij voor een te laag bedrag. Om deze reden oordeelt het Hof:

“Binnen het summiere onderzoek zoals dat binnen deze faillissementsprocedure kan plaatsvinden is aldus voldoende aannemelijk geworden dat mogelijk sprake is van paulianeuze rechtshandelingen die voor vernietiging in aanmerking komen, als gevolg waarvan alsnog baten voor (de boedel van) ABM kunnen worden gerealiseerd.”

Doordat het bestaan van een baten, de paulianeuze rechtshandeling, voldoende aannemelijk is gemaakt, vindt er geen verdere beoordeling plaats over of de vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid eveneens een baten oplevert. Ten slotte bekrachtigd het Hof het vonnis van de rechtbank waarin ABM failliet is verklaard.

Conclusie
Uit het arrest blijkt dat het begrip baten ruim mag worden uitgelegd. Hierdoor valt iets concreets zoals niet vereffende activa onder het begrip baten, maar ook een theoretische vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 2:248 BW. Desalniettemin verdient het de opmerking dat een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid niet snel zal leiden tot faillietverklaring van een turbogeliquideerde BV. De rechter zal veelal pas oordelen dat deze baten voldoende aannemelijk is gemaakt, indien uit feiten en omstandigheden blijkt dat het bestuur niet aan zijn verplichtingen uit de artikelen 2:10 BW of 2:394 BW heeft voldaan. Omdat op dat moment een bewijsvermoeden ontstaat dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Door dit bewijsvermoeden ontstaat een reële kans dat de potentiële bate zich zal realiseren, waardoor de rechter is geneigd om het faillissement uit te spreken.

Verder blijkt uit het arrest dat het bestaan van een baten voldoende aannemelijk is gemaakt, indien bewijs wordt overlegd dat er mogelijk een paulianeuze handeling is verricht. In deze situatie loopt de rechter eveneens vooruit op de zaken, waardoor het gevaar blijft bestaan dat de faillissementsprocedure niet zal leiden tot het vergaren van enig vermogen.

Deel dit bericht: