Enkele gemeentelijke beleidsdocumenten: structuurvisie en bestemmingsplan

De structuurvisie is een beleidsdocument van de gemeenteraad waarin de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid zijn vastgelegd (artikel 2.1 Wet ruimtelijke ordening). Hierin kunnen zaken worden opgenomen als toerisme, natuurbeleid, winkelvoorzieningen en de wijze waarop de gemeente zich wil profileren.

De gemeenteraad moet verplicht een structuurvisie opstellen. Het is belangrijk om in het oog te houden dat de structuurvisie, hoewel opgenomen in de wet, niet meer is dan een document zonder rechtsgevolgen. De structuurvisie is geen Awb-besluit, waardoor er geen rechtsbescherming (bezwaar en beroep) mogelijk is. Er kunnen derhalve geen rechten en verplichtingen worden ontleend aan de (inhoud van) de structuurvisie. Dat is anders dan bij het hierna te bespreken bestemmingsplan.

Elke Nederlandse gemeente is verplicht om voor haar grondgebied een bestemmingsplan op te maken, waarin aan de gronden bestemmingen worden toegewezen (zie artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het bestemmingsplan een (van de) juridisch(e) instrument(en) om het gemeentelijke (ruimtelijk) beleid vast te leggen en vervolgens te handhaven. Bestemmingsplannen worden binnen een periode van tien jaar telkens opnieuw vastgesteld.

De aangewezen bestemmingen voor gronden in het bestemmingsplan zijn dwingend dan wel bindend van aard. In beginsel mag er derhalve niet in strijd worden gehandeld met het bestemmingsplan. Dit maakt dat het bestemmingsplan in bepaalde gevallen een te knellende en remmende werking kan hebben op (ruimtelijke) ontwikkelingen, terwijl deze ontwikkelingen wel gewenst zijn door de gemeente. Uiteraard is het mogelijk dat in het bestemmingsplan zelf al ruimte is gegeven voor bepaalde ontwikkelingen. Bijvoorbeeld het aanwijzen van een gebied met als bestemmingsplan detailhandel, terwijl dat gebied nog ontwikkelend moet worden. Daarnaast kan bij het bestemmingsplan regels worden vastgesteld die bepalen binnen welke grenzen het college van burgemeester en wethouders het plannen kunnen wijzigen (artikel 3.6 Wro).

Als dat niet het geval is, dan zal een activiteit die strijdig is met het bestemmingsplan niet toegelaten zijn. In dat geval moet er een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan worden aangevraagd (zie artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo). Daarnaast kan ook aan het college van burgemeester en wethouders worden verzocht om een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. Ook kan de procedure van een bestemmingsplanherziening kan in dergelijke gevallen soelaas bieden. Een herzieningsprocedure geschied via een uniforme openbare voorbereidingsprocedure (art. 3.9a Wro).

Indien er in strijd wordt gehandeld met het bestemmingsplan (bijvoorbeeld bouwen zonder omgevingsvergunning), kunnen de bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten worden toegepast. Denk bijvoorbeeld aan de last onder dwangsom en bestuursdwang.

Deel dit bericht: