Edelachtbare, wat doet u nu? (annotatie)

In dit artikel wordt een uitspraak van de voorzieningenrechter, sector civiel, team kanton becommentarieerd. In deze uitspraak staat het pandrecht centraal. Mijn kritiek richt zich voornamelijk op de toewijzing van de vordering inzake de borgovereenkomst en de motivering van de rechter inzake de toewijzing tot medewerking bij afgifte van de personenauto.

Samenvatting

Eiseres heeft met de gedaagde, die bestuurder is van Ehek B.V. (hierna: Ehek), op 10 mei 2016 een borgovereenkomst (art. 7:850 BW) afgesloten voor de betalingsverplichtingen van Ehek B.V. Op grond van die borgovereenkomst staat eisers garant voor een bedrag van maximaal €8.546,32, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 7.059,75 vanaf 29 januari 2016 tot de dag van algehele voldoening, alsmede met alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten. Tot zekerheid van betaling is bovendien een stil pandrecht gevestigd op ‘De personenauto van het merk Volvo, type XC60, met kenteken [xxxx] , een en ander tezamen met bijbehorende sleutels, bescheiden en accessoires (…)’.[1]Ook verklaart Ehek nadrukkelijk in de pandakte dat er geen eigendomsvoorbehoud of een ander beperkt recht rust op de personenauto.

Ehek komt haar verplichtingen inzake de borgovereenkomst niet na, ondanks sommatie en aanmaning daartoe. Ook heeft zij niet haar auto afgegeven. Eiseres geeft aan dat zij niet in staat is om meer geduld op te brengen, onder meer omdat zij in het verleden steeds bedrogen uitkwam na beloftes van Ehek.[2] Eiseres vordert de betaling van de hierboven genoemde bedragen, nu schuldenaar in verzuim is (art. 3:248 lid 1), alsmede afgifte van de auto zodat zij tot parate executie over kan gaan.[3]Ehek is van mening dat zij wél kan voldoen aan haar betalingsverplichtingen. Zij rekent op een BTW-teruggaaf van €15065.-[4] Zo is zij in staat haar verplichtingen krachtens de borgovereenkomst te voldoen. Eiseres vertrouwt en rekent daar echter niet meer op.

De voorzieningenrechter wijst de vordering van de eiseres toe. Ehek erkent immers de vordering uit hoofde van de borgovereenkomst, waardoor deze wordt toegewezen.[5] Daarnaast heeft gedaagde in de pandakte aangegeven dat er geen eigendomsvoorbehoud rust op de personenauto. Nu blijkt echter dat er wél een eigendomsvoorbehoud rust op de auto.[6] Daarom wordt zowel de vordering tot betaling van de hoofdsom als medewerking tot afgifte van de auto toegewezen door de rechter.[7]

Een algemene opmerking vooraf

Allereerst een algemene opmerking. Het betreft hier een zaak bij de voorzieningenrechter. Kenmerkend voor een kort geding is de spoedeisendheid van de zaak, art. 254 lid 1 Rv. Met het belang van een snelle behandeling wordt in deze noot rekening mee gehouden. Verder speelt de zaak zich af binnen de sectie kanton, wat betekent dat slechts zaken met een beloop van ten hoogste € 25.000 in deze sectie kunnen behandeld worden, art. 93 lid 1 Rv. € 8.546,32 vermeerderd met € 7.059,75 is € 15.606,07, zodat ruimschoots aan dat vereiste wordt voldaan. Bovendien mag de voorzieningenrechter in een kort geding geen constitutieve of declaratoire vonnissen toewijzen.[8] Dat doet hij ook niet. Zo vernietigt hij bijvoorbeeld niet de borgovereenkomst, maar wijst hij wel een vordering toe. Nu er geen strijd is gevonden met de formele voorwaarden, kan men overgaan tot het materiële gedeelte.

Inhoudelijke kritiek

Zoals reeds gezegd, richt ik mijn kritiek op twee punten. Namelijk de wijze waarop de vordering inzake de borgovereenkomst wordt toegewezen en de motivering omtrent de toewijzing van de vordering inzake medewerking bij afgifte van de auto. Het eerste punt richt zich voornamelijk op de spoedeisendheid van deze zaak. Ik begrijp, gezien de aard van een kort geding, dat de rechter niet de tijd heeft om uitvoerig onderzoek te verrichten naar de eisen van de procespartijen. Niettemin lijkt mij dat er een enige onderzoek op zijn plaats is. In de onderhavige uitspraak wijst de rechter de vordering toe, ondanks dat Ehek rekent op ontvangst van een bedrag van ongeveer € 15.000. Weliswaar is Ehek daarin niet concreet (zij spreekt van ‘binnen een afzienbare tijd’)[9], maar kan ik niet uit de vonnis af leiden dat de rechter daarop ingaat. Mijn inziens had de rechter dat wel moeten doen. Als pandhouder kan je immers slechts tot parate executie overgaan, indien de pandgever in verzuim is, art. 3:248 lid 1 BW. Gedaagde doet gemotiveerd weerleggen dat hij in verzuim is. Mijn inziens had de toewijzing daarom niet mogen plaatsvinden. Het klopt dat de eiseres aangeeft geen vertrouwen meer te hebben in de relatie met gedaagde. Toch is de rechter, mijn inziens, te kort door de bocht gegaan. De rechter had op zijn minst om nadere uitleg kunnen vragen. Doordat Ehek nu wordt veroordeeld tot betaling van het geldbedrag uit hoofde van de borgovereenkomst, vermeerderd met de rente tot de dag van betaling, kunnen bovendien eventuele andere schuldeisers in problemen komen met hen vorderingen. Ook hangt het voortbestaan van Ehek op het spel (art. 2:19 lid 1 sub c). Een faillissement kan niet de bedoeling zijn. Voorts is Ehek veroordeeld tot betaling van een dwangsom van €500 per dag in geval van niet nakoming van haar verplichtingen.[10] Weliswaar kan Ehek de uitspraak bestrijden in de bodemprocedure, maar uit de jurisprudentie volgt dat zij echter verplicht blijft tot betaling van de dwangsommen tot de uitspraak in de bodemprocedure. Dit kan erg nadelig uitpakken voor andere schuldeisers. Tot slot het volgende. Het klopt dat de Ehek de vordering erkent. Dit betekent echter niet dat de vordering rechtstreeks dient te worden toegewezen. Er moeten met alle feiten en omstandigheden van het geval rekening gehouden te worden. Ik vind dat de rechter hier ook in zijn motivering tekort schiet. Hij wijst de vordering slechts in een enkele zin toe.

Mijn andere kritiekpunt is gericht op de merkwaardige motivering van de rechter in rechts- overweging 4.7. In deze rechtsoverweging wijst de rechter de vordering tot medewerking van de parate executie toe, omdat Ehek onjuist heeft aangegeven dat er geen eigendomsvoor- behoud rustte op de auto. Er is een discrepantie tussen de stelling en conclusie. Gedaagde komt inderdaad terug op wat zij in de pandakte heeft aangegeven. Ik kan echter niet begrijpen waarom dan de vordering wordt toegewezen. Een logisch argument voor vordering van medewerking zou zijn dat nu Ehek tekort schiet in haar verplichtingen, zij haar auto moet afgeven. Daarop rust immers een pandrecht. Dat doet de rechter niet en dat roept verbazing op. Kortom, ik kan de beredenering van de rechter niet volgen.

Slotwoord

Formeel is deze uitspraak van de voorzieningenrechter in lijn met het recht. Materieel gezien heb ik zo mijn twijfels. De rechter pleegt onvoldoende onderzoek naar de spoedeisendheid van deze zaak en wijst de vordering toe terwijl Ehek misschien niet in verzuim is. Daarnaast wijst hij de vordering tot medewerking toe op merkwaardige gronden.

[1] Rb. Overijssel (vzr.) 12 september 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:3820, r.o. 2.2.

[2] Rb. Overijssel (vzr.) 12 september 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:3820, r.o. 4.3.

[3] Rb. Overijssel (vzr.) 12 september 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:3820, r.o. 3.1.

[4]Rb. Overijssel (vzr.) 12 september 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:3820, r.o. 4.2.

[5] Rb. Overijssel (vzr.) 12 september 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:3820, r.o. 4.6.

[6] Rb. Overijssel (vzr.) 12 september 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:3820, r.o. 4.4.

[7] Rb. Overijssel (vzr.) 12 september 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:3820, r.o. 4.7.

[8] Snijders e.a. 2011, p. 371.

[9] Rb. Overijssel (vzr.) 12 september 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:3820, r.o. 4.2.

[10] Rb. Overijssel (vzr.) 12 september 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:3820, r.o. 5.2.

Deel dit bericht: