Digitaal burgerlijk procesrecht

In het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht wordt een nieuwe manier van procederen geïntroduceerd (zie ook het Kwaliteit En Innovatie-project). Dit artikel gaat in op een specifiek aspect daarvan, namelijk de procesinleiding.

Het huidige procesrecht kent grofweg twee soorten procedures, te weten de dagvaardingsprocedure en de verzoekschriftprocedure. Over het algemeen kan worden gesteld dat rechtsvorderingen moeten worden ingesteld door middel van een dagvaarding (denk aan schadevergoedingen op grond van wanprestatie of onrechtmatige daad). Indien de wet aangeeft dat er iets moet worden verzocht (al dan niet door uitdrukkelijk het woord ‘’verzoekschrift’’ te hanteren in een wetsartikel), dan moet de procedure worden ingeleid met een verzoekschrift. Zie voor het laatste: artikel 261 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).

In het nieuwe wetsvoorstel wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen de dagvaarding en het verzoekschrift. Uit art. 30a lid 1 van het wetsvoorstel volgt dat een eiser of verzoeker zijn vordering of verzoekt indient door middel van een procesinleiding. Materieel gezien zal er nog wel een onderscheid in vorderings- en verzoekprocedures worden gemaakt (art. 30a lid 2 wetsvoorstel). Uit het voorgaande volgt dat de regel dat een procedure moet worden ingeleid via een dagvaarding of verzoekschrift niet meer zal gelden. Hierdoor zal de bepaling van art. 69 Rv, inhoudende de herstelmogelijkheidsbepaling voor verkeerd ingeleide procedures, niet meer nodig zijn.

De inhoudelijke eisen voor de procesinleiding zijn vergelijkbaar met de thans geldende inhoudelijke eisen voor dagvaardingen en verzoekschriftprocedures (vergelijk art. 30a lid 3 wetsvoorstel en art. 111 Rv en art. 278 Rv e.v.).

De procesinleiding wordt digitaal (de wet spreekt van elektronisch) ingediend en ondertekend door de eiser of verzoeker (art. 30a lid 4 en art. 30c lid 1 en 3 wetsvoorstel). Nadat de griffier het oproepingsbericht heeft ontvangen, stuurt de griffier een oproepingsbericht aan de eiser. De eiser moet het oproepingsbericht vervolgens laten betekenen (via een deurwaarder) of op een andere wijze aan de verweerder bezorgen. Er geldt dan geen meer verplichte betekening van de dagvaarding.

Het is echter wel zo dat de de eiser er goed aan doet om te kiezen voor betekening. Indien de eiser het oproepingsbericht op een andere wijze (dan betekening) heeft bezorgd en de verweerder verschijnt niet, dan wordt er (in tegenstelling tot in het huidige recht, zie art. 139 Rv) immers geen verstek verleend aan de gedaagde. In dat geval kan de eiser het oproepingsbericht alsnog (binnen twee weken na de dag waarop de verweerder uiterlijk diende te verschijnen) doen betekenen bij de verweerder, waarbij de termijn om te verschijnen wordt verlengd met vier weken. Zie hiervoor art. 112 lid 2 Rv.

Als tijdstip van indiening heeft te gelden het tijdstip waarop het bericht het digitale systeem voor gegevensverwerking van de gerechten heeft bereikt (art. 30d lid 1 wetsvoorstel). De indiener ontvangst steeds een ontvangstbevestiging.

Het is tevens opmerkelijk dat met één procesinleiding zowel een vordering als een verzoek kan worden ingediend (art. 30b lid 1 wetsvoorstel), mits daartussen voldoende samenhang bestaat en de Nederlandse rechter bevoegd is.

Ook in hoger beroep zal er nog slechts één soort procesinleiding bestaan (art. 343 lid 1 wetsvoorstel).

De wet zal in 2017 op zijn vroegst in werking treden. Afgewacht moet worden of de veranderingen in het nieuwe procesrecht al dan niet positief zullen zijn.

Deel dit bericht: