De Romeinse helm

In dit (ietwat uitgebreide) artikel wordt een praktijkgeval van schatvinding geanalyseerd teneinde een beeld te geven van de wettelijke regeling omtrent schatvinding. Dit artikel geeft voorts een fraaie illustratie van de volgende leerstukken: de gemeenschap, derdenbescherming bij overdracht en goede trouw.

Casus

In opdracht van gemeente X (hierna: X) is een rivier uitgebaggerd. Tijdens het baggeren is een authentieke Romeinse helm gevonden door één van de werknemers (van het bedrijf dat in opdracht van X aldaar aan het baggeren was). De werknemer heeft vervolgens de helm mee naar huis genomen en daarna verkocht aan Y. Laatstgenoemde is lid van een metaaldetectorvereniging.

X vordert in deze procedure Y tot afgifte van de helm. Als grondslag voor zijn eis stelt X dat de werknemer niet bevoegd was om de helm zonder toestemming van X te vervreemden, zodat Y geen eigenaar is geworden en X bevoegd is om de helm te revindiceren (art. 5:2 BW).

Beoordeling van het geschil

De rechtbank vangt aan met een uiteenzetting van de relevante bepalingen. Uit art. 5:13 lid 1 BW volgt dat een schat voor gelijke delen toekomt aan de ontdekker en de eigenaar van de onroerende of roerende zaak waarin de schat wordt gevonden. De helm is gevonden in de grond, zijnde een onroerende zaak (art. 3:3 lid 1 BW), waarvan X de eigenaar is. De rechtbank oordeelt daarom dat X voor de helft eigenaar is van de helm.

Interessant voor de goederenrechtelijke jurist is om hierbij in te zien dat er door de schatvinding een gemeenschap is ontstaan. Een gemeenschap is immers aanwezig, wanneer een goed (art. 5:1 en 5:2 BW) toebehoort aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk, aldus art. 3:166 lid 1 BW. Dit heeft gevolgen voor de rechtsverhouding (rechten en plichten) tussen de betrokken partijen. De rechtbank haalt immers art. 3:170 lid 3 BW aan. Daaruit volgt dat beschikkingshandelingen betreffende het gemeenschappelijk goed, uitsluitend de deelgenoten (X en de werknemer die de helm heeft gevonden) tezamen bevoegd zijn. Nu de werknemer de helm zonder medewerking van X heeft verkocht aan Y, is de werknemer niet bevoegd om (het eigendomsrecht van) de helm geheel over te dragen. Hierdoor is er geen sprake van een rechtsgeldige overdracht, nu niet aan alle daarvoor gestelde eisen zijn voldaan (zie art. 3:84 lid 1 BW).

Volledigheidshalve:
Aan de overige eisen voor een rechtsgeldige overdracht is wel voldaan. Zo is eigendom overdraagbaar (art. 3:83 lid 1 BW), is er een geldige titel (koopovereenkomst) en heeft er een levering plaatsgevonden (art. 3:90 lid 1 en 3:114 BW).

Y stelt echter dat hij derdenbescherming geniet. Uit art. 3:86 lid 1 BW volgt dat, ondanks de bevoegdheid van de vervreemder (in casu de werknemer), een overdracht van een roerende zaak geldig is, indien de overdracht anders dan om niet (dus: niet gratis) geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is. Deze regeling omtrent beschikkingsonbevoegdheid wordt ook hier uitgelegd in het kader van de koop van een gestolen fiets. Volledigheidshalve zal voortgezet worden met bespreking van deze casus.

De rechtbank gaat vervolgens in op de vraag of Y te goeder trouw is geweest. Daarbij hecht de rechtbank waarde aan de volgende feiten:

  • Y is met de werknemer naar de uitvoerder gegaan, waarbij de werknemer aan de uitvoerder vroeg wat zijn rechten betreffende de helm waren. De uitvoerder gaf aan dat niet te weten en voor een antwoord het bestek (bouwplan) moest raadplegen.
  • De werknemer heeft enkele dagen na dat gesprek aangegeven dat hij eigenaar was van de helm en derhalve beschikkingsbevoegd.
  • Y heeft betwist dat hij amateur-archeoloog is.
  • Y heeft gesteld de regeling omtrent schatvinding niet te kennen.

Uit deze (beknopt beschreven) feiten maakt de rechtbank op dat Y wist dat er twijfel bestond over de beschikkingsbevoegdheid van de werknemer. Y had derhalve een onderzoeksplicht, hij moest nader onderzoek doen naar wie beschikkingsbevoegd was. Ook moest Y inzien dat het bestek geen antwoord zou geven op de vraag wie beschikkingsbevoegd was en hij mocht niet afgaan op de mededeling van de werknemer (zie punt 2 hierboven). Ook hecht de rechtbank waarde aan het feit dat Y lezer is van het clubblad van zijn vereniging, waardoor Y bekend had dienen te zijn dat er wettelijke regels bestaan betreffende het vinden van kostbare voorwerpen. Y moest zich daarom nader informeren omtrent de inhoud van deze regels. De stelling van Y onder punt 4 (zie hierboven) gaat niet op, omdat hij deze regels in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen. De rechtbank oordeelt, met inachtneming van het voorgaande, dat Y niet te goeder trouw was. Doordat Y niet te goeder trouw is, geniet hij geen bescherming tegen de beschikkingsonbevoegdheid van de werknemer (zie art. 3:86 lid 1 BW). Hij is dus geen eigenaar van de gehele helm geworden.

Verdere verloop en beoordeling

Y stelt vervolgens dat hij mede-eigenaar is van de helm. Daarbij draagt hij aan art. 3:175 lid 1 BW; tenzij uit de rechtsverhouding tussen deelgenoten anders voortvloeit, kunnen zij ieder over hun aandeel in het gemeenschappelijk goed verschillen. Hij stelt dus dat de werknemer wel beschikkingsbevoegd met betrekking tot zijn deel van de helm. De rechtsverhouding tussen X en de werknemer verzet zich niet dat één der deelgenoten zijn aandeel zou overdragen aan een ander. De rechtbank beoordeelt op grond daarvan dat Y voor de helft eigenaar is van de helm. De werknemer was dus voor zijn deel van de helm beschikkingsbevoegd, waardoor goede trouw (art. 3:86 BW) dan ook op dit punt geen rol speelt.

Een revindicatie van een gemeenschappelijk goed dat in het bezit is van een mede-eigenaar kan niet slagen. Derhalve wordt de vordering van X tot afgifte van de helm afgewezen.

X kon op grond van art. 3:178 BW wel verdeling vorderen, maar dat was helaas niet gevorderd.

Deel dit bericht: