De kraaiende haan (burenoverlast)

Neen, dit artikel is, hoewel de titel dit doet vermoeden, geen sprookjesverhaal. In dit artikel wordt een recente uitspraak die betrekking heeft op hinder door buren (op hoofdlijnen) geanalyseerd.

De casus
In een buurt waarin meerdere bewoners kippenhokken bezitten, heeft buurman X in zijn achtertuin een kippenhok staan, waarin een haan vertoeft en luidkeels kraait (zoals een redelijk gedragende haan zich betaamt). De distinctieve klanken afkomstig van de haan klinken voor buurman Y beslist niet als muziek in de oren en zorgen voor slechte nachten en derhalve stress.

Vanwege deze vervelende situatie heeft buurman Y een melding gemaakt bij de gemeente, die vervolgens een rapport heeft laten opmaken met een beschrijving van de situatie: het kippenhok ligt op een afstand van 21 meter van de tuin van buurman Y en de geluidsoverlast vindt rond 06:45, 08:00, 10:00, 13:00 en 15:00 plaats. Buurman Y stelt dat er sprake is van hinder en vordert primair dat buurman X zijn kippenhok moet verplaatsen naar een afstand van 50 meter vanaf de tuin van buurman Y en subsidiair (onder meer) dat buurman X de haan permanent moet verwijderen.

Van belang
De rechter vindt van belang dat hetgeen de eiser vordert ook daadwerkelijk een einde maakt aan de hinder. Eiser had niet duidelijk aangegeven en onderbouwd hoe de situatie zou zijn verbeterd door het verplaatsen van het kippenhok. De rechter attendeert hiermee op het beginsel van ‘’wie moet stellen, moet bewijzen’’ (art. 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Daarnaast geeft de rechter aan dat uit vaste rechtspraak volgt dat voor een antwoord op de vraag of hinder onrechtmatig is, moet worden gekeken naar de aard, ernst en duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade. Daarbij is van belang of de klagende partij zich vóór of na het ontstaan van de hinder zich heeft gevestigd. Indien de buurman na het ontstaan van de hinder daar is komen te wonen, zal hij een zekere mate van hinder hebben te dulden (de rechter lijkt hiermee ook de argumentatie van buurman X te betrekken, inhoudende dat de buurt bekend staat als een buurt met veel kippenhokken en dat buurman Y geen onderzoek heeft gedaan naar de woonomstandigheden voordat hij verhuisde.

Vanwege het feit dat het hanengekraai is begonnen voordat buurman Y naast buurman X is komen te wonen, beoordeelt de rechter dat er geen plicht bestaat om de haan te verwijderen. Voorts overschrijdt het hanengekraai niet de door de gemeente vastgestelde norm van 70 dB(A). De rechter geeft aan dat dit een objectieve maatstaf is die een aanwijzing kan zijn dat er geen sprake is van hinder. Een subjectieve mening dat er sprake is van hinder kan niet leiden tot het vaststellen van hinder, omdat de subjectieve beleving per persoon verschilt. Hieruit blijkt dat hinder objectief als hinder moet kunnen worden aangemerkt. Ruimte om te bewijzen dat er alsnog sprake is van hinder wordt in deze zaak door de rechter gegeven, maar daarvan heeft buurman Y geen gebruik gemaakt. Alle omstandigheden van het geval zijn immers relevant voor het vaststellen van hinder.

Conclusie
De uitspraak maakt duidelijk dat hinder objectief moet zijn. Het slechts ervaren van geluid als hinder is onvoldoende. Uit de beoordeling van de rechter volgt dat hanengekraai dat de geluidsnorm overschrijdt, kan worden aangemerkt als objectieve hinder, althans het is daarmee een (blijkbaar sterke) aanwijzing dat er in dat geval sprake is van objectieve hinder. Indien het hanengekraai onder de geluidsnorm is, kan er echter nog steeds sprake zijn van objectieve hinder. Het is aan de gehinderde om dat te bewijzen.

Deel dit bericht: