Bestanddeelvorming: hels voor de leverancier, hemels voor de curator

Bedrijf A heeft in een winkelstraat een perceel waarop zij een luxe winkelpand voor een Italiaans schoenenmerk aan het realiseren is.[1] Om het winkelpand compleet te maken, laat bedrijf A door bedrijf B lampen plaatsen in de winkelruimte en dan met name in de etalages. Voor de levering van de lampen heeft B een eigendomsvoorbehoud bedongen.[2] Voordat bedrijf A de koopprijs van de lampen aan B heeft voldaan, gaat bedrijf A failliet. Er wordt een curator aangesteld om de boedel te vereffenen.

Eigendomsvoorbehoud

In beginsel zou B door het eigendomsvoorbehoud nog steeds het (voorwaardelijk) eigendomsrecht van de lampen hebben. Voor zover A in verzuim is met betaling, wordt daardoor de ontbindende voorwaarde vervuld.[3] In dat geval houdt A de zaken zonder recht en kan B op grond van haar eigendomsrecht de zaken opeisen.[4] Eigendomsrecht kan echter door bestanddeelvorming teniet gaan. De curator zal dus aandragen dat er sprake is van bestanddeelvorming; dat de lampen bestanddeel zijn geworden van het winkelpand.

Bestanddelen en hoofdzaak

De wet maakt een onderscheid tussen hoofdzaken en bestanddelen. Hoofdzaken zijn zelfstandige en overdraagbare zaken. Bestanddelen zijn onderdelen van die zaak die geen zelfstandig juridisch bestaan leiden. Zij gaan (juridisch) op in de hoofdzaak. Dat betekent dat het eigendomsrecht van de hoofdzaak mede omvat haar bestanddelen.[5] Men kan geen eigendomsrecht hebben op slechts een bestanddeel. Indien de hoofdzaak onroerend is dan zijn haar bestanddelen ook onroerend.

Door bestanddeelvorming is de eigenaar van de hoofdzaak eveneens eigenaar van de aan de hoofdzaak toebehorende (of verbonden) bestanddelen. In wezen is de discussie over wie het eigendomsrecht heeft over bestanddelen (nadat is vastgesteld dat zij bestanddelen zijn) in dat geval overbodig. Er moet echter worden vastgesteld of er sprake is van bestanddeelvorming.

De curator van A heeft er baat bij dat de lampen in het vermogen van A (en daarmee in de faillissementsboedel) vallen.[6] Om deze reden ligt het voor de curator het meeste voor de hand op aan te voeren dat sprake is van bestanddeelvorming.[7]

Criteria voor bestanddeelvorming en toepassing op fictieve casus

Art. 3:4 BW geeft in lid 1 respectievelijk lid 2 BW twee alternatieve criteria voor bestanddeelvorming:

  • Lid 1: Al hetgeen dat volgens verkeersopvatting (algemeen heersende opvatting) onderdeel van een zaak uitmaakt, is een bestanddeel van die zaak
  • Lid 2: Een zaak is een bestanddeel van een hoofdzaak, indien deze zaak niet zonder schade van betekenis aan een der zaken kan worden afgescheiden

Het is reeds duidelijk dat het in lid 2 geformuleerde ‘’beschadigingscriterium’’ meer houvast biedt dan het in lid 1 ruime begrip ‘’verkeersopvatting’’. Allereerst lid 2. Aangenomen mag worden dat de lampen niet op een wijze zijn verbonden dat zij niet zonder schade van betekenis aan de lampen of het winkelpand kunnen worden verwijderd. Als de lampen op een zodanige wijze zouden worden ingebouwd, dan is dat zeer onpraktisch. De lampen zijn eenvoudig (en zonder schade) af te scheiden van de armatuur. Op grond van lid 2 zouden de lampen geen bestanddelen zijn. De curator zal zijn heil zoeken in lid 1.

Hierbij zal de curator het arrest Dépex/Curatoren aanvoeren, waarin twee (relevante) aanwijzingen zijn opgenomen die kunnen duiden op bestanddeelvorming op de voet van lid 1:[8]

  1. De eerste aanwijzing is dat het gebouw (de hoofdzaak) en de apparatuur (het bestanddeel) in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd.
  2. De tweede aanwijzing is dat een gebouw bij het ontbreken van de apparatuur als onvoltooid (dan wel incompleet) moet worden beschouwd. Hierbij komt het niet aan op de functie die de apparatuur vervult in het productieproces van het in het gebouw gehuisveste bedrijf.

De eerste aanwijzing is in casu niet aannemelijk; de lampen en het winkelpand zullen (om praktische redenen) niet zodanig specifiek op elkaar zijn afgestemd dat zij zonder elkaar onbruikbaar zijn. De tweede aanwijzing pleit echter voor bestanddeelvorming. De lampen worden immers gebruikt om het winkelpand te verlichten en om de etalages te verlichten. De lampen (de kunstmatige lichtbronnen) voorzien het winkelpand in een noodzakelijke behoefte, dat het winkelpand zonder lampen als incompleet moet worden beschouwd. Zonder lampen kan de koopwaar niet worden verlicht. Voorts is een winkelpand zonder lampen ontsierend (denk aan lege lampenbehuizingen). Dit is dus een aanwijzing dat de lampen bestanddelen zijn van het winkelpand. De rechter is echter degene die in een procedure op basis van alle omstandigheden van het geval een oordeel geven (en daarvoor de huidige verkeersopvatting op dit punt vaststelt). Vanwege het ruime begrip ‘’verkeersopvatting’’ blijft de bestanddeelvormingsmaterie een lastig leerstuk (in gevallen waarin het er werkelijk toe doet en de casus onduidelijk is). Hierdoor blijft het relevant voor zowel de goederen- als de faillissementsrechtpraktijk. Een leuk praktijkvoorbeeld van hoe de rechter in een vergelijkbare casus oordeelt vindt u hier.

[1] Geïnspireerd op Hof Amsterdam 1 september 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK9425.

[2] Zie art. 3:92 lid 1 en 2 BW (Burgerlijk Wetboek)

[3] Art. 3:84 lid 4 BW en art. 3:38 lid 2 BW.

[4] Revindicatie, zie art. 5:2 BW.

[5] Art. 3:4 en art. 5:3 BW.

[6] Zie het samenspel van art. 3:4 BW, art. 5:3 BW, art. 3:3 lid 1 BW, art. 5:20 lid 1 sub e BW, art. 3:276 BW en art. 20 Faillissementswet (Fw).

[7] Art. 3:4 BW en art. 5:3 BW.

[8] HR 15 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:AD1791.

 

Deel dit bericht: