Bedrijf verkopen op een servetje

In de advocatenserie ‘’Suits’’ gaat een aflevering over de zaak waarin een zakenman zijn bedrijf had verkocht aan een derde, waarbij het bedrijf als inzet werd gebruikt voor het kunnen meespelen in een gokspel. De derde bood de (in dronken toestand) spelende zakenman 3 miljoen dollar aan om te kunnen spelen en afgesproken werd dat indien de zakenman zou verliezen, hij zijn bedrijf moest geven aan de derde die hem 3 miljoen voorschoot. Een en ander werd schriftelijk vastgelegd op een servetje van het betreffende casino. Nu in de serie het Angelsaksisch recht van toepassing is en de zaak (deels) via die weg is opgelost, is het voor de Nederlandse jurist interessant om na te gaan hoe men deze casus zou kunnen aanpakken onder het Nederlands recht.

Voor nu moet worden aangenomen dat er sprake is van een overeenkomst (dit is voor belang om het vertrektpunt van dit artikel te bepalen). Immers, er is een aanbod en aanvaarding van dat aanbod. In beginsel is er daardoor, gelet op art. 6:217 BW een overeenkomst tot stand gekomen. Voorts is de overeenkomst voldoende bepaalbaar, waardoor wordt voldaan aan het vereiste van art. 6:227 BW. Het sluiten van een overeenkomst is vormvrij, tenzij de wet anders bepaalt (bijvoorbeeld bij huwelijkse voorwaarden). Dat betekent dat het geen verschil maakt dat de overeenkomst is gesloten op een servetje. Dat een overeenkomst (en derhalve de rechtshandelingen van de aanbod en aanvaarding) vormvrij is, valt af te leiden uit art. 3:37 lid 1 BW.

Sommige overeenkomsten kunnen praktisch gezien wel tussen partijen worden gesloten, maar hebben in de juridische wereld geen bestaansrecht. Rechtshandelingen in strijd met de goede zeden, openbare orde en dwingende wetsbepalingen zijn nietig, art. 3:40 BW. Een dergelijk geval speelt in casu niet, waardoor moet worden aangenomen dat de overeenkomst niet nietig is.

Het is echter zo dat een geldige rechtshandeling (en dus ook een aanbod en aanvaarding) een wil en verklaring vereist (art. 3:33 BW). Met andere woorden, de wil moet overeenstemmen met de verklaring. In casu kan worden afgevraagd of de dronken zakenman daadwerkelijk zou hebben gewild om deze overeenkomst te sluiten. Daarvoor kan worden gekeken naar art. 3:34 BW, de bepaling omtrent het wilsontbreken door een geestelijke stoornis. Dronkenschap is een tijdelijke geestelijke stoornis en dit belette een redelijke waardering van zijn belangen. Daarnaast wordt in casu ook het wettelijk bewijsvermoeden gevestigd dat de verklaring onder invloed van de stoornis is gedaan, omdat de rechtshandeling voor de zakenman nadelig is en het ten tijde van het verrichten van de rechtshandeling voorzienbaar was. Het voorgaande brengt mee dat de wil wordt geacht te ontbreken. In dat geval is er geen geldige rechtshandeling verricht en is er derhalve ook geen aanbod/aanvaarding en vervolgens geen overeenkomst. De derde kan echter nog proberen om een beroep doen op het gerechtvaardigd vertrouwen van art. 3:35 BW. Vanwege de omstandigheden van het geval mag de derde er gerechtvaardigd op vertrouwen dat er wél wilsovereenstemming was. Evident is dat de derde daar in deze casus geen beroep op kan doen (dronkenschap is immers zichtbaar en de overeenkomst is absurd). Contra-indicaties kunnen echter tot een andere uitkomst leiden, maar dat wordt in dit artikel terzijde gelaten.

Indien de geestelijke stoornis op een of andere manier niet bewezen kan worden, heeft de zakenman een tweede kogel in het magazijn; misbruik van omstandigheden. Gelet op art. 3:44 lid 1 en 4 BW heeft dat tot gevolg dat de rechtshandeling vernietigbaar wordt. Dat betekent dat de overeenkomst geldig is tot het moment van vernietiging. De zakenman moet het vernietigen via een buitengerechtelijke verklaring (art. 3:49 BW). Indien de derde daar geen gehoor aan wil geven, dan moet de zakenman via de rechter de overeenkomst vernietigen (art. 3:49 en 3:51 BW). De verjaringstermijn daarbij is 3 jaar (art. 3:52 lid 1 sub b BW). Het gevolg van vernietiging is dat de overeenkomst nooit heeft bestaan (het werkt immers met terugwerkende kracht, art. 3:53 lid 1 BW). Nu de overeenkomst niet meer bestaat, is het bedrijf zonder rechtsgrond overgedragen. Er ontstaat derhalve een verbintenis tot ongedaanmaking uit onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW). De zakenman hoeft niet te ontbinden want er is immers geen overeenkomst.

Indien de derde nakoming wil vorderen of schadevergoeding wil vorderen stuit hij op de belemmering dat er geen geldige overeenkomst is. De zakenman kan eventueel de derde aanspreken op grond van onrechtmatige daad wegens schade ontstaan in de periode dat hij niet in vrijheid zijn eigen bedrijf kon uitoefenen.

Ondernemingsrechtelijk is hierbij relevant artikel 2:107a BW (er is in casu sprake van een groot bedrijf, dus men mag er van uitgaan dat het een NV is). Dit bepaalt dat voor het besluit van het bestuur (de zakenman in casu, de bestuurder) om de onderneming over te dragen aan een derde er goedkeuring is vereist van de Algemene vergadering van Aandeelhouders (zie specifiek art. 2:107a lid 1 sub a BW). Gelet op art. 2:107a lid 2 BW tast het ontbreken van de goedkeuring de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de bestuurder niet aan. Het ontbreken van de goedkeuring heeft derhalve slechts interne werking (zoals het aansprakelijk stellen van de bestuurder op grond van art. 2:9 BW). De vertegenwoordigingsbevoegdheid van de bestuurder is geregeld in art. 2:130 BW. Indien in de statuten (‘’bylaws’’ in Suits) is bepaald dat de bestuurder alleen bevoegd is tot vertegenwoordiging met betrekking tot het overdragen van de onderneming met de goedkeuring van de Raad van Commissarissen, dan kan de rechtspersoon die bevoegdheidsbeperking niet inroepen jegens de derde. Die bevoegdheidsbeperking is immers geen wettelijke beperking, maar een statutaire beperking. Indien de derde echter wist van deze beperking dan kan in bepaalde gevallen de derde de rechtspersoon niet houden aan overeenkomst (zie hiervoor het standaardarrest Bibolini).

Tevens kan de Ondernemingsraad een rol spelen, nu zij omtrent een voorgenomen besluit tot overdracht van de zeggenschap over de onderneming adviesrecht heeft (zie art. 25 Wet op de ondernemingsraden). Dit advies moet echter op een zodanig tijdstip worden gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit. In het voorbeeld van Suits kan dit problematisch zijn. Het gevolg van het niet tijdig inwinnen van advies (dan wel geen advies vragen) is dat de Ondernemingsraad bij de Ondernemingskamer te Amsterdam in beroep kan gaan. De Ondernemingskamer kan, indien het beroep gegrond is, aan de ondernemer verplichten dat hij het besluit geheel moet intrekken of dat hij wordt verboden om het besluit verder uit te voeren (zie art. 26 Wet op de ondernemingsraden). Belangrijk hierbij is echter dat art. 26 Wet op de ondernemingsraden stelt dat een voorziening van de Ondernemingskamer bij een gegrond beroep de door derden verworven rechten niet aantast.

Tot slot is het interessant om na te denken over de vraag of de verbintenis in casu een overeenkomst is van spel en weddenschap. In dat geval is de overeenkomst nooit afdwingbaar geweest (art. 6:3 lid 1 en lid 2 sub a jo. 7A:1825 BW). Een en ander neemt niet weg dat dit artikel illustratief is voor de mogelijkheden om onder een overeenkomst uit te komen.

Deel dit bericht: